Luc. 8, 26 – 39
- Lezing
- Jesaja 65: 1 - 9
GEESTKRACHT
Mensen van God,
Het lied van Huub Oosterhuis ‘Hoor. Maar ik kan niet horen’ echoot in de beide lezingen. Daarom volgen hier de coupletten, met mijn overdenking daarin verweven.
1.Hoor. Maar ik kan niet horen.
Mijn oren dichtgestopt, mijn adem opgekropt.
Mijn hart van leegte zwaar.
Ik ben nog niet geboren. Ik ben niet ik. Niet waar.
Je ziet deze man, deze mens met chaos in zijn hoofd, onhandelbaar, uitbehandeld, weggestoten uit de gemeenschap van mensen. Angstaanjagend is hij geworden, ontmenselijkt. Een levende tussen de graven, als dood. In de beleving van die tijd, in de vertelling van Lucas zijn het demonen die bezit hebben genomen van deze mens. Die zijn naam hebben gestolen en er hun naam voor in de plaats hebben gezet: Legioen, want wij zijn met velen. Wij bepalen doen en laten. Het gebeurt, ook nu, in mensen in onze tijd, in ons. Met onze eigen spoken, die verwarring stichten. Die chaos veroorzaken en mensen in isolement brengen. Overspoeld door een veelheid aan meningen, conflicten, dreigingen in het eigen leven, in onze wereld. Noem ze maar op. Hoe houd je het hoofd koel? Hoe vind je richting, waar is houvast?
Het wonder geschiedt dat deze mens in zijn verwarring, toch Jezus tegemoet gaat. In plaats van dat de demonen hem verder de woestijn in jagen, dieper de grafspelonken in, keert hij zich naar Jezus. Welke kracht klinkt hier, welke drift beweegt hem? Ik kan niet horen, maar in mijn wezen weet ik waar ik moet zijn, om bevrijd te worden. Ontzag-wekkend is de man die uit de boot stapt en aan land gaat. Vaste grond, Hij IS vaste grond.
Er volgt een confrontatie, in die beweging van kracht en tegenkracht. Jezus is vastberaden. Dwars door de chaos en het vreeswekkende uiterlijk van de man vraagt hij: Hoe is je naam? Bij je naam word je geroepen, gewekt uit de dood, aan het licht getild. De demonen weten hoe laat het is, en gaan in onderhandeling: niet naar de onderwereld, wel in de varkens, in het meer, onschadelijk gemaakt.
De mensen uit de gemeenschap komen toegesneld als ze horen wat gebeurd is. Gealarmeerd door de varkenshoeders die hun broodwinning verloren hebben zien gaan. Nieuwsgierig wellicht wat toch gebeurd was met die verworpene? Wat horen zij eigenlijk? Ze worden met ontzag vervuld, maar ook door angst en ontzetting aangegrepen. In plaats van blij te zijn om deze mens die aan zichzelf is teruggegeven en zich durft laven aan de bron, daar zit hij, onherkenbaar maar ook onmiskenbaar deze zelfde, in plaats van met hem aan de voeten van de meester te gaan zitten, jagen ze Jezus weg.
Komt Hij te dichtbij? Dwingt deze metamorfose je om bij jezelf na te gaan waar ik sta tegenover Jezus? Hij vraagt zonder woorden dat je in beweging komt?
2.Hoor. Maar ik wil niet horen.
Zou ik uw woord verstaan, ik moest uw wegen gaan.
U volgen hier en nu.
Ik durf niet zijn geboren en leven toe naar U.
In de eerste lezing ontmoeten we ook deze mensen, mensen van het eerste verbond. Ze gaan eigen wegen, eigen maat, eigendunk. Zij. En wij? Wij hebben onze eigen ideeën vastgehouden, hebben we beleden. Het is een inoefening keer op keer om je toe te wenden. Te bekeren en mij te bekennen tot die Ene God die daar is, met armen wijd, handen in toenadering uitgestoken. Een diep verlangen horen we in de woorden van de profeet. Verlangen naar een volk, naar mensen die samen optrekken met die bevrijdende oerkracht. De woorden ademen ‘Liefdesdynamiek’, zo klonk in het Schriftgesprek gisteren. Verlangen, teleurstelling ook en wrok, zie wat er van komt! En daarna, alsof de Ene zich ook bekeert, hoop dat er nog voldoende liefde gevonden wordt in mensen, sap in de druiventros, beeld van de bruiloft die toch kan doorgaan. Dat er zegen mag rusten, toekomst zal zijn, geestkracht, in mensen met God.
Want:
3.Hoor, roept Gij in mijn oren en jaagt mijn angst uiteen.
O stem door merg en been verwek mij uit het graf,
uw mens opnieuw geboren, o toekomst laat niet af.
Troost biedt de profeet aan mensen die na de ballingschap opnieuw bouwen aan hun land. En te bouwen op God die roept Hier ben ik. Je tevoorschijn roept om ook te zeggen Hier ben ik! Heilige geestesadem, een woord dat nodigt tot antwoord. Een stevige roep, door de eeuwen heen om je te openen voor de belofte van leven. Om uit de chaos te breken en zuiver richting te bepalen, in verbondenheid met de Ene.
De man in het land van de Gerasenen wordt gezonden. Ga naar huis, naar je familie, naar jouw eigen gemeenschap van mensen en vertel over God, over de bevrijding die jou ten deel is gevallen. Het is wel opmerkelijk en ook de enige plaats in het evangelie dat Jezus het niet goed vindt dat iemand Hem volgt. Maar, zo zeiden we gisteren: als hij mee was gegaan met Jezus in de boot, was er daar niet verkondigd over zijn genezing, over de grote daden van God, in Jezus. Hij is ervaringsdeskundige geworden. En hij wordt de eerste met een missie onder de volken.
En wij? Waar staan wij in dit verhaal, het kleine verhaal van mijn leven in het grote verhaal van God met mensen? Het is zo’n prachtige vraag om mee op weg te zijn. We worden aangemoedigd om te onderzoeken waar in ons en in ons samenleven hier en breed in de wereld, levensverwoestende krachten bezig zijn, on-geesten. Die onder ogen te zien, en vaste grond te zoeken te vinden. Om ons te keren naar die oerkracht en
levensdrift van God uit. Te vinden bij Jezus de Zoon. Zo dat Heilige Geest kan waaien en leven tot zegen wordt.
Mogen we zo op weg gaan.