Luc. 11, 1 – 13
- Lezing
- Genesis, 18, 20-32
Leer ons bidden
We beginnen met Genesis. Abraham. Niet voor niets wordt Abraham geëerd als een aartsvader. Hij is in de bijbel de eerste mens die met God in relatie, in gesprek komt. In het scheppingsverhaal spreekt God wel tegen Adam, maar dat wordt geen dialoog. Het is Abraham, die als eerste echt met God praat.
Je kan je afvagen hoe dat dan gaat. Dat praten met God... .God is toch al zo’n wonderlijk begrip.
Een woord dat heel concreet lijkt, maar het is eigenlijk alleen maar een verwijzing naar een werkelijkheid die wij helemaal niet kunnen bevatten, beschrijven, bewijzen of uitbeelden.
Wat wij denken te weten van God, weten wij door de verhalen van mensen voor ons. Dat gaat op voor alle godsdiensten, en alle culturen en volken op aarde. In al die verschillende talen hebben mensen hun ervaringen met dat wat hun verstand te boven ging, uitgedrukt in verhalen en rituelen en godsdiensten.
Voor het Joodse volk is Abraham heel bepalend geweest voor het godsbeeld dat wij overgeleverd hebben gekregen. In zijn levensverhaal horen wij hoe hij de stem van God hen wegriep uit het land waar hij geboren was. Hoe? In zijn binnenste. Abraham hoorde hoe hij door een iets of iemand – in ieder geval een kracht die hij niet kon negeren - weggeroepen werd uit het land waar hij woonde om op zoek te gaan naar waar die stem hem brengen zou. Tegen alles en iedereen in gaat hij op weg. En hij is zijn hele leven blijft luisteren naar die stem die hem een beter leven beloofde. Hij leert op die stem te vertrouwen en het leidt tot verbond. Hij krijgt een levende relatie met God. Een god, niet van steen of goud, ook niet abstract en ver weg, maar dichtbij in zijn eigen binnenste en zijn eigen leven.
Zo dichtbij dat hij bijvoorbeeld in de drie mannen die bij hem als vreemden te gast zijn als een bezoek van God zelf ervaart. En hij gelooft dat hij – als zij hem dat zeggen - inderdaad nog een kind zal kunnen krijgen. Abraham heeft God leren kennen als een kracht die toekomst en leven wil en niet de dood.
In het verhaal van vandaag horen we meer over Abrahams omgang met die God. Hij is met hem in gesprek als met een vriend, voor wie hij veel respect heeft, maar met wie hij wel in discussie gaat.
Het gaat over de verloedering in Sodom en Gomorra. De neef van Abraham Lot woont er met zijn gezin. Het is letterlijk godgeklaagd wat er in die stad gebeurt. Criminaliteit, corruptie, vuiligheid op alle gebieden, gewelddadigheid. Klinkt bekend.
Dat kan toch niet! Daar moet een eind aan komen. En in het verhaal van vandaag horen we hoe Abraham worstelt met het gegeven dat er zoveel slechts gebeurt. Het is niet om aan te zien. Afschuwelijk.
In het gesprek dat Abraham voert met zijn God, horen we hoe hij zich steeds meer verplaatst in de mensen die wonen in Gomorra. Er gebeurt zoveel slechts, maar het zijn toch ook mensen… Abraham heeft geleerd dat je niet in woede of teleurstelling alles moet afschrijven, maar integendeel, moet zoeken naar mogelijkheden om te overleven.
Abraham heeft God in zin eigen leven ervaren als een barmhartige kracht. Een scheppende, steeds vernieuwende kracht. Een God van toekomst, van hoop. Hoe klein de kans ook is: je moet redden wat er te redden valt, tot het uiterste gaan, ook daar waar het een verloren zaak lijkt. Dat is wat wij horen in dit verhaal van aartsvader Abraham. Hij werd een voorganger in geloof.
In het evangelie horen we ook een voorganger: Jezus. Jezus is opgegroeid met het geloof en de oude verhalen van Abraham Isaak en Jacob. Hij staat als Jood in een lange traditie van wetgeleerden, profeten, priesters. Maar hij is verrassend nieuw en authentiek in dat geloof van de voorvaderen ; anders dan de wetgeleerden en gezagsdragers het Joodse geloof van dat moment. Hij spreekt over en vanuit zijn relatie met God. Hij heeft een band met God, net zoals zijn voorvader Abraham.
Leerlingen zijn daardoor geboeid in Jezus. Die zekerheid, dat vertrouwen! Hij is een meester die geen wetten voorschrijft, maar getuigt van zijn leven met God. Dat kun je zien aan zijn manier van omgaan met de mensen en de dingen.
De leerlingen willen weten hoe dat bij hem werkt, hem vragen hem hoe dat kan, hoe dat gebeurt, die intieme relatie met God. Leer ons bidden, vragen zij. Het antwoord dat Jezus geeft is sluit eigenlijk best wel aan bij de bestaande joodse gebeden die zij al kennen. Woorden wij ook zo goed kennen en zonder erbij na te denken op kunnen zeggen.
Maar toch is de toon wel heel anders. Jezus begint met de aanspreektitel: Vader. Abba. Eigenlijk zoals wij papa zeggen. Geen allerhoogste heilige verhevenheid. Door dit intieme woord dringt het – misschien pas later - tot hen door dat het precies dat is wat Jezus zo bijzonder maakt. Die intieme band, die vertrouwdheid met God.
Dat woord papa, vader, getuigt van die relatie, met die wereld van God, die onverdeeld is.
Vader die in de hemel is, die hemel van eenheid, liefde, kracht en energie die onder en boven alles en iedereen is.
Jezus heeft daar weet van, is deel van die verbindende werkelijkheid, die hij God /abba /vader noemt. Die eenheid is de bron van de vanzelfsprekendheid en natuurlijkheid is, waarmee Jezus zich in liefde verbonden voelt met anderen.
De rest van het gebed is gebaseerd op dat uitgangspunt. Dat het niet om ons rijk gaat maar het koninkrijk van God, waar wij zijn zoals wij bedoeld zijn als broeders en zusters verbonden met elkaar en met de hele schepping. Vader in de hemel, geef ons wat wij nodig hebben aan brood en aan inzicht. Maak de banden los die ons vastbinden aan het verleden en aan onze fouten, opdat ook wij anderen hun misstappen kunnen vergeven. Vader, laat de oppervlakkige dingen ons niet verleiden, verlos ons van alles wat ons van U afhoudt.
Na dit gebed vertelt Jezus nog twee parabels, over een man die s ’nachts voor zijn vriend een brood gaat vragen bij zijn buurman, en een vader die zijn eigen kind toch geen slang geeft in plaats van een ei.
Bidden is niet dat je krijgt wat jij wilt aan materie. Al kunnen de voorbeelden van het vragen om een ei of een brood in de parabels ons misschien wel op het verkeerde been zetten.
Ik hoorde eens een Amerikaanse predikant in zo’n megagrote kerkdienst over deze tekst zeggen dat we met aandrang mogen vragen en niet bang moeten om te vragen. Ook op materieel gebied is bij God niets onmogelijk, zei hij. Vraag er om.. Stel je hebt een autootje nodig. Vraag met aandrang en wees zo concreet mogelijk. Noem het merk, noem de kleur. Rood? Stel het je voor ogen. …
Hierna volgde een paar spectaculaire voorbeelden van verhoorde gebeden. Tja,..
Nee, Het was Jezus om niets anders te doen dan het koninkrijk van God,
Bidden is niet vragen om iets dat ons goed uitkomt. Bidden is meedenken en overleggen met God, zoals Jezus en ook Abraham deed. En bereid zijn zelf mee een antwoord te geven op die onvolmaakte werkelijkheid waar we mee zitten. Bidden is je met volharding inzetten voor dat koninkrijk van God, waar recht, vrede en ruimte is voor alles wat leeft.
Daarom eindigt Jezus in deze tekst met het vragen om de heilige geest. De heilige geest, die ons helpt boven onszelf uit te stijgen en onszelf en elke ander echt te zien als door Gods ogen.
Als je met aandrang en oprechtheid om de heilige geest vraagt zal je die gegeven worden. Dat is het grootste geschenk dat de Vader je geven kan en altijd zal geven.
Dat vertrouwen leert Jezus zijn leerlingen en ook ons vandaag.