Luc. 18, 9 – 14
- Lezing
- Sirach 35: 12 - 20
GOD IS ER VOOR ONS, HOE WE OOK ZIJN.
Wat komt de Farizeeër doen, in de tempel?
En de tollenaar? Met welke intentie komt hij erheen?
Zij komen zó verschillend!
De tollenaar heeft een belang; hij heeft iets nodig: genade. Hij is kwetsbaar, want als hij die genade niet krijgt, blijft hij die verdoemde, verguisde tollenaar. Het gedrag van de Farizeeër wordt bijna karikaturaal beschreven: hoe hij rechtop staat te vertellen wat hij allemaal beter doet dan anderen. Het is eigenlijk absurd, zo’n gebed. Maar door die de overdrijving wordt de subtiele superioriteit uitvergroot. De subtiele superioriteit van de geslaagden, degenen die het goed hebben en het goed doen. Degenen die overtuigd zijn van hun eigen gerechtigheid, aldus Jezus, die daarvoor deze parabel vertelt. Wat herken ik daar van, als leken-Schriftgeleerde? Waar vind ik mezelf toch maar stilletjes een stuk beter dan anderen? De situatie van de tollenaar is van heel andere orde; hij zit in de piepzak. Hij wil verlost worden, vergeven. Hij zat om welke reden dan ook in nood en vraagt om daarvan bevrijdt te worden. Hij vráágt iets! Er is dus sprake van een relatie, van wederzijdsheid. Er is contact! De Farizeeër heeft geen vraag. Dat is een fundamenteel verschil tussen beiden. Hoe kom ik eigenlijk naar de kapel? Heb ik een verlangen, een nood, een vraag? Of kom ik hier omdat het er gewoon bij hoort? Of dat ik me goed voel, omdat ik geweest ben? De Farizeeër komt bidden: hij somt zijn zegeningen op en bedankt God daarvoor. Is dat dan niet mooi? Hij komt God danken. Ja, hij komt God danken. Maar waarvoor? Dat hij beter is als anderen! Waarmee hij zichzelf boven anderen stelt. Hij acht zichzelf beter dan anderen; rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers. En hij zal nog waar zijn ook, dat hij niet roofde, onrechtvaardig was of echtbreuk pleegde. Dus niet zo verdorven was als die mensen. Maar hoe dodelijk is het, om zo naar anderen te kijken en zo over hen te praten? Toch gaat de gelijkenis voor mij nog verder dan een moreel oordeel over de zelfingenomenheid van de Farizeeër tegenover het schuldbesef van de tollenaar. Want: waarom speelt zich dit af in de tempel? En nota bene onder het bidden? De tempel is de plaats van ontmoeting met God; waar ruimte en tijd is voor het mysterie van God. En in het bidden zoeken we daar contact mee. Komen we in relatie, groeien we in de verhouding met God.
De parabel vertelt over en wie God was voor de één en voor de ander. Voor de Farizeeër is het iemand tegen wie een zelfspraak wordt gehouden, als tegen een publiek. Voor de tollenaar is God degene aan wie het meest essentiële gevraagd wordt: help mij, red mij. De Farizeeër gaat na zijn dankgebed weg, maar is niet gerechtvaardigd. De tollenaar ging gerechtvaardigd naar huis. God kon niets doen voor de Farizeeër, want die stelde zich nergens voor open. God moest hem met lege handen/een leeg hart laten vertrekken. Hoe herkenbaar, dat ik mezelf niet openstel, geen verbinding zoek, in beslag genomen door allerhande zaken? Waardoor ik ook geen troost, aanwezigheid of richting ontvang. En hier dus weg ga zoals ik hier binnenkwam. Onveranderd, onaangeraakt. De boodschap voor mij van dit Evangelie is: wát je ook nagelaten of misdaan hebt, misschien zoals de tollenaar, als je je opent en je schuld erover belijdt, dan zul je gerechtvaardigd naar huis gaan. Of zoals in de 1e lezing: hoe arm en overgeleverd je ook bent (een arme, een weduwe, een wees), als je je nood laat horen bij God dan zal die jou verhoren. Want bij Hem geldt persoonlijk aanzien niet, zoals bij ons makkelijk een rol kan spelen. Maar als wij zo doen zoals God het bedoelt, zal het ons zevenvoudig teruggegeven worden. Dan vinden wij genade en zal ons bidden tot aan de wolken reiken.
En, zo geloof ik, dit geldt dit ook voor de Farizeeër in mij, wanneer die op een goed moment niet langer kan zonder werkelijk contact met God. Als dat moment van toekeren komt, zal God er ook weer totaal voor hem zijn.