Mat. 4, 12 – 23

Tineke Renkema
Lezing
Jesaja 8: 23b - 9:3

Zijn missie, onze missie?

‘Laten we nu samen de gerechtigheid vervullen’ Dat zei Jezus tegen Johannes vlak voor zijn doop. We hoorden dat vorige week. En juist vanwege die gerechtigheid wordt Johannes gevangen genomen. Zolang hij zijn woorden sprak in de woestijn werd hij met rust gelaten. Maar toen hij het waagde Herodes persoonlijk aan te spreken op het doen van onrecht, werd hij gevangen gezet.

Pijnlijk duidelijk wordt het. Toen was het niet anders als nu! Het aanspreken omwille van de gerechtigheid wordt niet verdragen door mensen zoals Herodes. Zij hebben alleen zichzelf op het oog. Zijn louter en alleen uit op macht en gaan voor eigen succes. Mensen zoals Herodes laten zich niet uitzuiveren in de woestijn. Toen niet en nu niet.

Jezus hoort wat Johannes overkomt. Hij zal er heftig door geraakt zijn. Zo vergaat het dus mensen die de gerechtigheid vervullen. Zo zal het hem, de Mensenzoon, ook overkomen, maar nu nog niet. Hij staat nog aan het begin.

Jezus wijkt! Bij dat woord ‘wijken’ denken wij al gauw aan het af laten weten. Maar zo niet bij Jezus: Hij wijkt uit, ja zeker, maar wijkt niet voor zijn opdracht. Hij zal zich niet laten weerhouden door wat Johannes overkwam. In tegendeel Hij zal de roeping van Johannes vervullen door gerechtigheid te leven. En: Zijn eigen weg gaan om die God van liefde, die hem overkwam bij zijn doop, een menselijk gezicht te geven.

Hij wijkt uit naar Galilea, een gebied waar een mengelmoes woont van heidenen en joden, een smeltkroes van culturen, talen. Galilea betekent dan ook ‘draaikolk van volkeren’. Een gebied, waarvan de profeet Jesaja zegt dat mensen er in het donker wonen. En juist dáár lijken de woorden van Jesaja te gebeuren: het volk dat in duisternis ronddoolt zal een groot licht zien! Juist dáár in dat donker!

Jezus begint met de woorden van Johannes op te nemen: Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij. Het koninkrijk van God dat nabij is! Wie durft het aan om dit te zeggen? Het zijn grote woorden om in de mond te nemen, in een wereld waar diegene die opkomt voor gerechtigheid gevangen wordt gezet en gedood. Waar mensen naar strafkampen worden gestuurd, van huis en haard verdreven, waar vrouwen levensruimte wordt ontnomen. En dan toch: Het koninkrijk van God is nabij?

Gewaagde woorden zijn het! Wie durft het aan! Uitgesproken door de Mensenzoon in wie het koninkrijk van Gods liefde zelf is opengebroken. Dat dát koninkrijk ín hem gebeurde, dat maakt dat hij dat kan, mag en durft te zeggen: Het koninkrijk van God is nabij. Maar hij weet, daar kan het niet bij blijven, dat koninkrijk is niet van hem. Wat in hem is, moet ook (en dan gaat het om een heilig moeten), in mensen en tussen mensen in geschieden, wil het stand houden. Dat is zijn missie.

Hij zoekt mensen die dat verlangen van dat koninkrijk in zich dragen. Mensen die mét hem willen zijn én leven. Zijn oog valt op twee vissers : Simon Petrus en zijn broer Andreus, en even later ziet hij ook Jakobus en Johannes, eveneens broers. Hij ziet wat zij in zich dragen. Alle vier zijn zij vissers. Dat is hun beroep. Zij zorgen voor dat wat nodig is om te kunnen leven. Jezus roept ze : ’Ik zal jullie vissers van mensen maken.’ Hij die zelf opengebroken is, breekt in in hun leven. Roept op om van hun werk met kleine letter Werk met een hoofdletter te maken; werk dat heilig dienstwerk wordt. Hun beroep hebben zij zelf gekozen, maar dat is niet hoe ze bestemd zijn. Ze zijn bestemd om van broer zijn werkelijk broederschap te leven en van visser tot vissers van mensen te worden. Het broer zijn en het visser zijn krijgt een andere diepte/dimensie.

Jezus moet hebben gezien dat er een heilig vuur in hen leeft, een diep verlangen. Ze waren het zich misschien niet eens zo bewust. En zij op hun beurt moeten oog in oog met hem, gevoeld hebben dat hij antwoord zou kunnen zijn op wat zij als verlangen in zich droegen: te worden zoals bedoeld: om te komen tot zichzelf, tot hun stil en diepst geheim.

Dat gaat niet zomaar, dat vraagt, dat kost: De netten achterlaten, je boot, je vader achterlaten, zo horen we. Ingaan op een roep van de andere kant, dat wat je verlangen wakker maakt, vraagt : Loslaten, je overgeven, je toevertrouwen. En dat loslaten, onze overgave is nu juist precies wat het koninkrijk nabij brengt: Die weg gaan van zelfbepaling naar Verbond. Niet ik ga mijn weg met God, maar God gaat zijn weg met mij. Dat overkwam Jezus bij zijn doop. Dat werd beproefd in de woestijn met al die gaven die hij had: ‘Niet ik, maar Gij.’ ‘Alles wat ik ben, is van U. Beschik erover geheel volgens uw wil.’

En dan kan het niet zo zijn en zo blijven, dat dat koninkrijk alleen in Jezus openbrak, dat licht in de duisternis. Dat moet dan ook in mensen en tussen mensen in gebeuren. Daartoe riep hij mensen bij name. Tussen de puinhopen in de wereld, klinkt die roep nog steeds. Zijn missie, onze missie? Wij, hier? Met hem zijn en leven? Elkaar tevoorschijn roepen in hoe je bestemd bent? Wie ben je en hoe ben je bedoeld? Mag die vraag tussen ons in klinken! Daar werk van maken!

Mag het zo zijn!