Mat. 5, 1 – 12
- Lezing
- Sefanja 2,3 + 3,9-13
Wat een geluk, om te mogen leven tussen visioen en werkelijkheid
Als we in de wereld rondkijkt, zie we veel mensen die zoeken en vragen naar zin. De meervoud aan crisis stelt ons voor indringende vragen. En we zien ook veel ongelukkigen, oftewel: onzaligen. Wie zoekt de Heer, zoals Sefanja ons vandaag voorhoudt? En toen hij dit schreef, was het ook crisistijd. ‘De Heer zoeken’ is volgens de profeet zoeken naar leven volgens goddelijke waarden: rechtvaardigheid, nederigheid, liefhebben, jezelf niet op de eerste plaats zetten. Een levenshouding waarin ‘niet ik – maar Gij’ de leidraad vormt. Is dit een levenshouding om naar te verlangen? De profeet vertelt ons dat zij die zo leven, de kleine rest zal zijn die bewaard zal blijven. Is het een kleine, heilige rest? Het zijn de anawim, de Hebreeuwse naam voor de armen van geest, de ootmoedigen. Zij kunnen idealiter met velen zijn, maar de werkelijkheid leert ons dat het er meestal maar weinig zijn die zo leven. En toch: hoopvol is het dat zij er zijn, want zij bewaren Gods spoor in de tijd, een spoor van hoop en van dienende liefde.
En dan horen we eeuwen later de Bergrede volgens Matteüs. Jezus gaat de berg op: de plaats van stilte en gebed, dichter bij God. Maar in de Bergrede is het vooral een plaats van onderricht in verbinding met en geïnspireerd door God. Jezus zoekt het hogerop, om vanuit die relatie te kunnen spreken. De Bergrede mogen we lezen als het nieuwe Verbondsboek, dat niets anders is dan de vervulling van het oude Verbondsboek, de Tora. De liefde schittert er woordeloos doorheen: het woord ‘liefde’ klinkt niet, maar in wezen gaat het helemaal over het eerste en voornaamste gebod om God en je naaste lief te hebben – als jezelf. Jezus geeft met de Bergrede als het ware een programma, een zijnswijze die de Messiaanse mens schildert. De mens zoals Jezus zelf door Matteüs en door velen gezien en ervaren is. Hij schildert dit niet vanuit zichzelf, maar vanuit zijn relatie met God én vanuit de teksten in het Oude Testament. Die teksten draagt hij in zich mee: de Bergrede is vrijwel volledig samengesteld uit verwijzingen naar Jesaja, Jeremia en de Psalmen.
Laten we dan eerst eens stilstaan bij het woord ‘zalig’ oftewel ‘gelukkig’. Wat een geluk, wat zalig als je zó leeft. Over welk geluk gaat het hier? Het gaat in ieder geval niet over de emotie van het kortstondige genot – dat natuurlijk ook heerlijk kan en mag zijn. Maar in de Bergrede gaat het over het geluk als vrede van de ziel, innerlijke vrede met hoe het is en met wat er is, als een diepe aanvaarding. Er zijn een hele reeks zaligsprekingen, maar centraal staat daarin gerechtigheid en barmhartigheid. Juist omdat deze centraal staan, werd ik benieuwd hoe we dit terugzien bij Jezus zelf. Daar ben ik naar op zoek gegaan en vanuit de kern zocht ik verder.
We weten hoe Jezus Johannes overhaalde om hem te dopen, want ‘zo dienen wij de gerechtigheid geheel en al in vervulling te brengen’. Gerechtigheid is dus een centraal thema in Jezus’ eigen bestemming. En in de Bergrede een stukje verder dan we vandaag horen, in hoofdstuk 6, lezen we: ‘Zoek eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid’ en het is veelzeggend dat Jezus over het Koninkrijk spreekt in samenhang met gerechtigheid. Een komende wereld, die in Jezus een begin had, waarin gerechtigheid centraal staat dus. Het Koninkrijk der Hemelen is het omvattende kader van de zaligsprekingen. Als je zó leeft realiseer je het Koninkrijk: een wereld van een andere orde: zalig en gelukkig. Jezus’ leven is het begin van dit Koninkrijk en het is aan ons, aan allen die als zijn leerling willen leven, om dit Koninkrijk verder uit te bouwen, te realiseren. Als een Rijk van menslievendheid, zoals Wiel Logister altijd zei.
Dit alles gezegd en overdacht hebbende, realiseer ik me opnieuw dat er veel aanleiding is in onze wereld om niet gelukkig en niet zalig te zijn. Niet in vrede, noch met de wereld, noch met ons zelf. Geen innerlijke vrede. Jezus zelf is in die spanning gaan staan: hij is zowel van de hemel in relatie met God, als van de aarde – de Mensenzoon. En als we dan de armen van geest zalig spreken: Jezus zelf is als een arme van geest geheel vrij van eigenwaan en eigen gedachten: vol van God. En als we dan de treurenden zalig spreken: Jezus treurt als geen ander over Jeruzalem, treurt om hen die niet zingen en dansen zolang de bruidegom bij hen is. Zalig wie lijdt aan wat nog niet vervuld is, God zelf zal de tranen van hun ogen wissen. En als we de zachtmoedigen zalig prijzen: Jezus zelf is een anawim, een zachtmoedige zoals Sefanja en andere profeten al als voorbeeld stellen. En als we de reinen van hart zalig spreken: Jezus is degene die de berg van de Heer mag bestijgen, rein van hart zoals psalm 24 bezingt: met een reine, zuivere blik ziet hij wat is. En als we de vredebrengers zalig prijzen: Jezus geeft in Matteüs zijn vrede mee aan de leerlingen, die de vrede op hun beurt moeten uitdragen, overal waar zij zijn. Waar die vrede van de Heer niet wordt aangenomen, keert deze op de leerlingen zelf terug.
De zaligsprekingen en de zijnswijze die ons hiermee wordt voorgehouden, riep in mij het Lied van de Aarde van Huub Oosterhuis op, dat wij hier jaren geleden hebben uitgevoerd. ‘Hier en daar zijn mensen, steeds meer en overal, mensen die doen wat vandaag nog gedaan moet’. Jezus was zo’n mens, hij deed wat in zijn tijd gedaan moest. En omwille van mensen zoals hij, onderrichtte hij op de berg het nieuwe verbondsboek. Het is zo hard nodig dat wij de aarde schoonwassen en opdelven met liefde, dat wij alles wat leeft met liefde dienen. Dat de grondhouding ‘niet ik – maar Gij’ onze leidraad wordt, steeds meer. In de retraite met mijn collega’s haalde iemand een boektitel aan ‘Het ik moet aan diggelen’ en hij zei daarover: ‘het ik hoeft niet aan diggelen, het hoeft enkel zijn eerste plaats af te staan’.
Wat een geluk, dat ook wij in de spanning mogen staan tussen visioen en werkelijkheid. Niet met een naïef optimisme, maar goed geïnformeerd en toch met hoop – die ons steeds opnieuw geschonken wordt.