Mat. 18, 21 – 35

Tineke Renkema
Lezing
Jezus Sirach: 27 - 28: 7

Alles begint bij Gods bewogenheid.

Opnieuw een gedeelte uit het evangelie volgens Mattheüs,

uit, wat genoemd wordt, de gemeente rede.

Woorden om steeds meer gemeenschap te worden.

Alle reden om onze oren te spitsen.

Deze rede begint met de vraag van de leerlingen:

Wie is de grootste in het koninkrijk?

Hij zette een kind in hun midden.

Hij zet een kind tussen ons in.

Een kind: weerloos, toegankelijk open, het hart bereikbaar,

die ziet wat is en zich toevertrouwt.

Dat kind in mij, dat kind tussen ons in, de grootste.

Daar moeten we goed voor zorgen.

Daarna volgt in deze rede met het oog op gemeenschap de tekst van vorige week zondag. Hoe moet het toch met dat kwaad, de zonde in ons midden? Ooit op een nieuwjaarsdag is die tekst in ons midden gelegd: het Mattheus 18 gesprek: Richtlijnen om op behoedzame en zorgvuldige wijze het kwaad aan het licht te brengen in ons, tussen ons in. Waartoe: Om je broeder en zuster te winnen! Ja winnen!

En nu de tekst van vandaag, die begint met die vraag van Petrus: Hoe vaak moeten we elkaar vergeven? En het antwoord: Oneindig vaak: zeven maal zeventig maal.

Vergeven waartoe?

Om ons, om mij los te kunnen maken

van het kwaad dat mij werd aangedaan,

om mij te bevrijden van de wrok die mij mogelijk verteert,

om mij ervan los te kunnen maken.

Vergeven is een keuze!

Jezus zal daarin tot het uiterste gaan:

Midden in zijn lijden klinkt het :

‘Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat ze doen’

Zo bleef hij in verbinding met zijn diepste zelf!

Door vergeving bleef zijn hart open, bereikbaar.

Maar wat dan als je schuld hebt, schuldig bent? In de gelijkenis die Jezus vertelt, vraagt de koning aan zijn dienaren om rekenschap af te leggen.

Dus dát is gemeenschaps-stichtend: Dat er aan ieder van ons gevraagd wordt om rekenschap af te leggen: onze schuld te erkennen, de verantwoordelijkheid op ons te nemen voor wat we misdeden t.a.v. God en de ander.

Niet alleen te erkennen, maar ook te zoeken naar hóe de schuld te vereffenen. Maar de gelijkenis laat ook de realiteit zien: De dienaar kan de schuld aan de koning met geen mogelijkheid betalen. Soms kán de schuld niet worden goedgemaakt. Ook al is er de wil, de intentie! En dan toch losgemaakt worden van wat ik misdeed? En dan toch: Vergeving? Zo gaat het in de gelijkenis: De dienaar wordt losgemaakt van zijn schuld. Vergeving om niet, door een bewogen koning.

Hoe afhankelijk zijn wij, in ons schuldig staan

dan van de goedheid, die bewogenheid van God

met onze vraag om ons los te maken van onze schuld.

Was ons schoon Heer!

Hoe afhankelijk ben ik, zijn wij van die ander die ander van wie wij hopen dat die die bewogenheid van God in zich draagt en doordraagt. Hoe afhankelijk zijn wij als gemeenschap van God en elkaar

En dan de vraag die in mijn hart leeft: Wat maakt toch dat het sacrament van de biecht zo goed als verdwenen is? Ja, het was verworden en zo geen toegangspoort meer tot de liefde

En toch! Hoe kostbaar het sacrament, waar, in die tussenruimte tussen jou en iemand die daartoe is gewijd, tastend en met schroom, woorden worden gezocht, waarin schuld wordt erkend en vergeving uitgesproken. Door die hand op je voorhoofd wordt de weg vrij gemaakt om ook zelf drager te zijn van die mogelijkheid tot vergeven.

Terug naar de tekst:

De koning in de gelijkenis vergáf niet alleen de dienaar,

maar schold ook zijn schuld kwijt, bewogen als hij was,

omdat deze dienaar niet in staat was de schuld te vereffenen.

Maar hoe pijnlijk : De dienaar kon deze beweging van barmhartigheid niet doorgeven naar die andere mens die op zijn beurt schuldig stond naar hem. Hoe kan dat?

Kennelijk had de vergeving en kwijtschelding, die hem zelf was overkomen, zijn ziel niet bereikt! En dat heeft gevolgen: Waar die vergevende liefde van God ons hart nooit bereikt heeft, daar stokt die beweging van barmhartigheid.

In de gelijkenis laat de dienaar op zijn beurt, diegene die hem bij hem in de schuld staat, gevangen zetten, tot hij hem tot de laatste cent zou hebben betaald. Dat roept verontwaardiging op. Die weigering om de ander los te maken, waar je notabene ooit zelf werd bevrijd: Ja, dat heeft gevolgen! Ten gevolge hiervan zal de dienaar de schuld die hem eerder was kwijtgescholden, alsnog moeten betalen!

Waar wij vergeven zijn en op onze beurt niet vergeven,

daar zullen we de schuld, die ons ooit werd vergeven,

alsnog moeten dragen.

Misschien net zo lang totdat ‘het vergeven zijn’ onze ziel bereikt.

Alles begint bij God, bij Gods bewogenheid.

Waar die ervaring van vergeven ons is overkomen,

in ons hart werd ingeschreven

daar wordt de weg van het vergeven van die ander geboren,

gemeenschap gesticht.

Vergeef ons onze schuld zoals, opdat wij anderen hun schuld vergeven. Een cirkel beweging zonder begin en einde. Mag Gods vergevende liefde zichtbaar worden tussen ons in.