Joh. 10, 11 – 18

Tineke Renkema

Evangelie Johannes 10 : 11 -18

Datum 21-04-2024 Overweging door: Tineke C.M. Renkema-Boersma

Leven omwille van Henk Witte zei ooit hier op deze plaats: Wij zijn gemeenschap met het oog op verrijzenisverwerking. Maar wat is ‘verwerken’ eigenlijk? Verwerken is dat wat iemand heeft geleefd, in ons heeft gezaaid, in ons opnemen. Daarom lezen wij het evangelie, jaar, na jaar, na jaar, om iets van de Opgestane op te nemen en ons doen en laten op Hem af te stemmen.

Vandaag het verhaal van de Goede Herder met het oog op die verrijzenisverwerking. Wie is werkelijk goed en hoe is dat te onderscheiden van zij die handelen onder de schijn van het goede, van kwaad? De evangelist Johannes heeft het criterium van onderscheiding gevonden: Het is het leven van Jezus zelf. Je moet naar Hem kijken, horen wat Hij zegt, zien wat Hij doet. Als je naar Hem blijft kijken, kun je goed van kwaad onderscheiden. Dan kun je ook ‘goed’ onderscheiden van ‘wat goed lijkt’.

Maar: Zo eenvoudig is dat niet. Het vraagt ook luisteren naar de bewegingen van het hart, naar dat wat werkelijk vrede geeft, goed doet, verbinding oproept, vrij maakt.

Ik ben de Goede Herder, horen we Hem zeggen. We kunnen ons vast de weerstand voorstellen die dat oproept: Overmatig zelfbewustzijn, getuigend van een overmatig ego, arrogantie, zoals ook de eerdere ik-ben woorden. En mogelijk godslasterlijk, voor zover het verwijst naar de Godsnaam: Ik ben, die ik ben. De Farizeeën hebben hun absolute oordeel erover klaar: Het is schandelijk jezelf zo te verbinden met die Godsnaam. Dat is niet goed! De evangelist Johannes ziet het tegenovergestelde. Hij ziet dat, dat wat Jezus doet, overeenkomt met wat Hij zegt. Jezus is die goede Herder. Heel zijn leven is doortrokken van Ik ben die Ik ben. Heel zijn doen en laten is op God afgestemd. Hij draagt zelf alles wat goedheid kenmerkt.

Wat is dan ‘goed’? ‘Goed’ is zorg dragen voor mensen die zijn als schapen zonder herder. ‘Goed’ is je leven inzetten omwille van die mensen aan jou zijn toevertrouwd. ‘Goed’ is - als de wolven komen, als je eigen leven wordt bedreigd - niet op de vlucht slaan, maar erbij blijven. ‘Goed’ is iemand, die, als het erop aankomt, het eigen leven prijsgeeft omwille van die mensen voor wie je zorg draagt.

Dieper kijkend naar het leven van Jezus: Werkelijk goed is een leven omwille van. Werkelijk goed is een leven waar je niet op jezelf terugvalt maar in verbinding blijft, wat er ook gebeurt, met de A(a)nder. Werkelijk goed is de mens die vrij staat om zichzelf te geven.

Niet goed is dan heel enkelvoudig: Niet goed is daar waar de a(A)nder uit ons blikveld verdwijnt. Daar waar jij uit mijn blikveld verdwijnt.

Dat lijkt met het belangrijkste criterium als het gaat om goed zijn: Dat omwille van wie, omwille van wat. Maar ik dan? Het omwille van jezelf is daarbij niet uitgesloten, waar het gaat om het kunnen groeien in die openheid naar de ander, te worden zoals je bestemd bent en eventuele blokkades uit de weg te ruimen, doen wat je nodig hebt om te komen tot jezelf én bij die ander te zijn.

En verondersteld is dat waar de a(A)nder in ons blikveld blijft dat de vruchten daarvan geluk, vrede en rust zijn of heilige onrust, heilige woede: allen kenmerken van het goede.

Wij, zoals wij hier zitten, en dat mogen we gerust aannemen, zijn op dat goede uit, anders waren wij hier niet op deze plaats, in deze kapel. Maar het is van belang te beseffen dat wij ‘gemengd bedrijf’ zijn: goed en kwaad. Wij zijn uit op het goede, betrokken op, willen leven omwille van, maar dat gebeurt met vallen en opstaan, het is een ‘onderweggebeuren’, een groeien in liefde.

We hebben het nodig: Mensen die ons voorgaan, in het spoor van de Mensenzoon, dé goede herder bij uitstek. Mensen die voorgaan in het omwille van. Mensen die samenbrengen als we verdeeld raken. Mensen die erbij blijven als de wolven komen, als het leven wordt bedreigd. Goede leiders!

Maar als het goede doen louter voortvloeit uit plichtsgevoel, de stem van ons geweten, holt het een mens op den duur alleen maar uit. De basis van het doen van het goede is ‘bewogenheid’. Het is die bewogenheid die een goede herder onderscheidt van een huurling. Die bewogenheid is er het eerste, gaat vooraf aan het van zichzelf af zien en erbij blijven, ook als het leven wordt bedreigd. Eerst is er die bewogenheid. We lezen het vaak, die diepe bewogenheid van Jezus.

Maar: Bewogenheid kun je toch niet ‘maken? Of toch? Bewogenheid ontspringt uit de ervaring van kwetsbaarheid, bij liefde die weerloos is en waar iets eigenlijk te pijnlijk is om aan te zien.

Als je dán de neiging weerstaat om je om te draaien, weg te kijken, weg te lopen, als je dan erbij blijft, ja dan ontspringt bewogenheid, wordt het hart geraakt. Kijk je weg, dan verhard je langzaam maar zeker. Alleen het erbij blijven, open blijven, maakt ons tot bewogen mensen. En het is die bewogenheid die het begin is van het goed zijn, het goede doen.

Terug naar het begin: Verrijzenisverwerking: Iets van de Mensenzoon, iets van de goedheid die hem kenmerkt, in op ons nemen. Het goede dat zich van het kwade onderscheidt door het erbij blijven, door een leven omwille van! Dat ‘omwille van’ dat ons ons eigen ik doet overstijgen. Natuurlijk zijn er onze ik-gerichte bewegingen, maar: geroepen worden we altijd weer, om daaruit weg te trekken. Dat is het appèl wat ons leven in gemeenschap op ons doet, zo worden we geroepen: ieder ons unieke antwoord geven op dat ‘omwille van wie, omwille van wat’ en dat oefenen in ons samenleven. En samen weten: God is om ons bewogen! Dat is het fundament Mag het zo zijn.