Mc. 10, 2 – 16
- Lezing
- Gen. 2, 18 – 24
WIJ ZIJN AAN ELKAAR GEHECHT
“De tekst mag het zeggen,” zei mijn docent Bijbelstudie altijd. “Je eigen mening? Die zet je opzij tot aan het eind van je werkstuk.” Ik had daar moeite mee. [En nog!] En dat wist ze van mij. Dan keek ze me aan, zag mijn overduidelijke non-verbale expressie en zei: “Ja Els, ik zie dat je het moeilijk vindt. Maar probeer het toch maar!”
Ik moest hieraan denken toen ik de lezingen van vandaag las. Hoe vergaat het jullie bij het horen van woorden over de vrouw genomen uit een man, zijn vlees is ze. Mannen die praten over het verstoten van vrouwen. Over echtbreuk en overspel. Ik heb een enorme weerstand ervaren. Waarom lezen we deze teksten nog? Wat moeten we ermee? Ik ga dit niet doen! En toen hoorde ik mijn docent: de tekst mag het zeggen. Oké. Wat zegt de tekst? De tekst zegt: je moet niet boos op mij worden. Ik ben geschreven in een tijd waarin het vanzelfsprekend was dat de vrouw aan de man ondergeschikt was. Ik ben een bijbeltekst, dat onmiskenbaar een patriarchaal boek is.
Dat wetende, lezen we het tweede scheppingsverhaal uit Genesis. Als wij in het verhaal stappen, heeft God hemel en aarde geschapen en meteen daarna – uit het stof van de aarde – de mens. Hij blaast hem de levensadem in. En als geschenk krijgt de mens een paradijs met vruchtdragende bomen en stromende rivieren. De mens ligt daar heerlijk in het gras te luieren en mango’s te eten. Klinkt goed!
Maar nee, het is niet goed, zegt God. Want wat is een mens in zijn eentje? Wat als er niemand is die jou aankijkt, die jou aanspreekt, bemoedigt of troost? Nee, een mens hoort niet alleen te zijn. Hij heeft een hulp nodig, als zijn tegenover. God schept alle denkbare dieren en de mens geeft ze allemaal een naam. Maar er is er geen een die bij hem past als zijn tegenover. Dan maakt God nóg een mens. Niet uit het stof van de aarde, maar uit de zijde van de eerste mens. Een mens om hem terzijde te staan, om zij aan zij te staan. De mens is geschapen als medemens, als naaste.
Een man hecht zich aan een vrouw. Of een man aan een man. Een vrouw aan een vrouw. Maar medemenselijkheid gaat natuurlijk over meer dan het aangaan van een romantische en seksuele relatie. Het gaat over elkaar in de ogen zien, elkaars leven kleur geven, verantwoordelijkheid dragen voor elkaar. Een tegenover om je aan te scherpen. Of dat nou een buurman, een collega, een vriendin of een docent is. Je menswording gebeurt in het aangezicht van de ander.
Dat is niet altijd gemakkelijk. Het valt soms zwaar om het met elkaar uit te houden. En dan willen we er vanaf. “Ik wil niet meer met jou. Ik maak het uit.” In het jodendom was het niet toegestaan om je te ontdoen van je vrouw, maar Mozes had daar een uitzondering op gemaakt. In Deuteronomium staat het volgende: Iemand heeft een vrouw getrouwd, maar om een of andere reden is hij ontevreden over haar. Hij schrijft een scheidingsbrief, die hij aan haar meegeeft als hij haar wegstuurt. Even ter herinnering, alles wordt bekeken vanuit het perspectief van de man. Daar kan de tekst niks aan doen.
Maar ja, “een of andere reden” ... Wat is nou een legitieme reden om je vrouw weg te sturen? Daar werd, geheel volgens joods gebruik, verschillend over gedacht en gediscussieerd. Er bestonden twee toonaangevende interpretaties: de ene vond dat onzedelijk gedrag van de vrouw voldoende reden was, de ander vond het ook een goede reden als ze het eten liet aanbranden.
Jezus vindt die scheidingsbrief overigens een slecht idee. Mozes heeft mannen een maas in de wet geboden, omdat ze halsstarrig zijn: ze weigeren hardnekkig zich te gedragen zoals God het heeft bedoeld. Wat God verbonden heeft mag de mens niet scheiden.
Maar hoeveel leed is er met deze woorden niet aangedaan aan mensen. Hoeveel schuld hebben mensen door dat ene zinnetje gedragen of elkaars leven beschadigd in een ongelukkige relatie. We leven in andere tijden, huwelijken worden gesloten en ontbonden, vrouwen in onze westerse wereld – gelukkig – zijn geëmancipeerd en kunnen hun eigen keuzes maken. In onze tijd en plaats wil de tekst ons mogelijk iets anders zeggen.
Jezus herhaalt de woorden uit Genesis: en die twee zullen één lichaam zijn, ze zijn dus niet langer twee, maar één. De mens wordt opgesplitst in twee mensen. “Dit is ze!” In het enthousiasme waarmee de mens zijn medemens aanziet, wordt het verlangen zichtbaar om weer opnieuw één te worden met die ander. Maar hoe blij Adam ook is, hij eigent zich de vrouw wel meteen toe: mijn eigen gebeente, mijn vlees en bloed. Daar wordt de kiem al gelegd voor ongelijkheid, voor bezit en macht. Om het leven naar je hand te kunnen zetten, om mensen opzij te zetten.
Misschien wil Jezus zeggen: kijk hoe God ons bedoeld heeft. Adam betekent mens. Eva betekent de leven gevende. Ze horen bij elkaar. Wij horen bij elkaar. Een mens hecht zich aan een mens en zo geven wij elkaar het leven. Zo bouwen we elkaar op. Levende bouwstenen! Zo zijn we bedoeld, zo zijn we geschapen. Zij aan zij. In een paradijs waar we niks wisten van goed en kwaad, maar onbevangen het leven namen zoals het kwam. In het vertrouwen dat er goed voor ons gezorgd werd. Leven als kinderen van God in een prachtige tuin. De speeltuin van het leven. Niet voor niets dat kinderen – nog helemaal blanco – bij uitstek geschikt zijn voor dat koninkrijk waar Jezus over spreekt.
Het deed me denken aan Boaz, een jongetje dat op hetzelfde kinderdagverblijf kwam als mijn zoon. Hij kwam heel vaak in tutu naar de opvang, want dat vond hij mooi. Er was geen
enkel kind die dat gek vond, een jongetje in een tutu. Hij was geen outcast, hij was gewoon Boaz. Puur, onvoorwaardelijk: Boaz hoorde erbij.
Heeft de tekst nu gesproken? Ik weet het niet zeker. Ik heb wel naar haar geluisterd. Achter de woorden geluisterd. Toch vraagt de evangelietekst een behoorlijke vertaalslag. Hebben we het nodig om deze Bijbeltekst te lezen? Kunnen we ook zonder? Wat mij betreft wel. En kunnen we volstaan met die prachtige zin: Laat de kinderen bij mij komen, want mijn Koninkrijk is voor mensen die zijn zoals zij. Een oproep om terug te keren naar het kind in jezelf. Om ontvankelijk en onbezorgd te zijn in de wetenschap dat er van je gehouden wordt, simpelweg omdat je er bent. En dat die ander je naaste is, een mens als jij. We horen bij elkaar. Met of zonder tutu.