Lc. 18 : 1 – 8
- Lezing
- Genesis 32, 23-32
Hoe het geloof te behouden?
Jakob gaat terug naar zijn thuisland, Kanaän. Hij heeft nu zijn leven wel op orde: vrouwen, kinderen, vee. Over zijn verleden hangt wel de duisternis van bedrog. Hij beroofde zijn broer van diens eerstgeboorterecht, hij bedroog - met behulp van zijn moeder! - zijn blinde vader op diens sterfbed. En hij kwam terecht bij de meesteroplichter Laban die zijn schoonvader werd. Maar Jakob was slimmer, hij verwierf toch grote rijkdom. Nu heeft hij een niet-aanvalsverdrag gesloten met zijn schoonvader Laban, de broer achter hem, Maar hoe zit het met de broer vóór hem, zijn echte broer, Esau?
Zonder verzoening is thuiskomst in het beloofde land niet mogelijk. Wat baat het de mens als hij de wereld wint, en schade lijdt aan zijn ziel. Jakob raakte in paniek toen hij hoorde dat Esau met een grote overmacht naar hem onderweg was. God heeft toch aan Abraham en Izak de belofte gedaan van een groot volk in een beloofd land? En nu straks ten onder gaan! Wat wordt er dan werkelijkheid van die belofte van een rijke toekomst!
En dan lezen we een bijzonder raadselachtige en mysterieuze passsage. Het staat bekend als het nachtelijk gevecht van Jakob met de engel. En in uitleg wordt dan vaak verwezen naar ervaringen die wij allemaal kennen: een lange nacht worstelen met de vraag: hoe moet het toch met mijn leven, met deze wereld? Is er wel toekomst? En dan bij het ochtendgloren na een lange pieker- en worstelnacht toch weer opnieuw een voorzichtig licht. Dit verhaal is veel rijker, en op een diepere manier ook veel bemoedigender. Luister maar.
Zelf bleef Jakob achter Jakob gaat weer terug nadat hij alles wat hem lief en dierbaar is al naar de overkant heeft gebracht, richting beloofd land. Hij heeft dus al mentaal afstand gedaan van alles wat hij heeft verworven, en dat misschien geroofd zal worden door zijn broer die hij tot vijand heeft gemaakt. Wij belijden hier vaak gezamenlijk, voor God en mensen, dat wij ‘niet leeg genoeg zijn om uw zuiverende werking te ondergaan’. Maar die woorden krijgen geen vleugels wanneer wij elkaar niet vertellen welk vuil in ons dan uitgezuiverd is, en wie die ‘u’ is in ‘uw zuiverende werking’.
Wat doet Jakob als hij zich helemaal alleen terugtrekt, terug naar waar hij vandaan kwam? Bidt hij daar? De tekst zegt daar niets over. Maar misschien is het wel zo dat wij God leren kennen wanneer we onszelf vergeten. Bidden? In het Hebreeuws schijnt bidden ook te maken te hebben met: jezelf beoordelen. Wat heeft het leven van mij nodig? Bidden is: dat we ons niet neerleggen bij de dingen zoals ze zijn, blijven wrikken aan een stand van zaken die ons frustreert en vastzet. In dit verhaal staat daar iets over.
En er worstelde iemand met hem Die ‘iemand’ is een agressor. Die ‘iemand’ begint kennelijk. Dat overvalt Jakob. Iemand. Er staat niet dat het een bode van God is, of een beschermengel van Esau of een rivierdemon. Voor veel Bijbeluitleggers gaat het hier om een innerlijk spiritueel gevecht. Ik wil mij in mijn leven met al het kwaad dat ik mijn broer heb aangedaan, met hem verzoenen, dat is een goede kracht. Maar ik heb ook een kwade kracht in mij, weglopen voor de verzoening, en verzinken in zinloosheid over het niet te bereiken beloofde land.
Toen die iemand zag dat hij het niet kon winnen Het gaat om een worsteling waarin de agressie van die raadselachtige iemand het niet kan winnen. Jakob vecht en vecht, met de onverzettelijkheid van de weduwe in het evangelie. Hij geeft niet op, hij hunkert naar verlossing. Nooit meer terug naar een leven dat in de ogen van anderen dan wel geslaagd mag lijken maar dat niet uitgezuiverd is, waar permanent verdriet en mislukking doorheen jankt. Maar hoe dan verder? Het is in ieder geval een worsteling waaraan je je hele leven wordt herinnerd. Door die agressie, bijna onder de gordel, op de heup, loop je bij elke stap in het leven mank.
Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent Dat zegenen versta ik aldus. Jakob zegt tegen die onbekende ander: Ik zal niet opgeven of verdergaan totdat ik iets positiefs uit deze pijn heb gehaald en die heb omgezet in een zegen over mijn leven. Die zegen verlicht de kern van je leven. En de kern van je leven werd van oudsher uitgedrukt in je naam of in het antwoord op de vraag: ‘Wie ben je?’ Dit keer liegt Jakob niet, zoals indertijd tegen zijn stervende blinde vader om het eerstgeboorte recht. Dit keer zegt hij dat hij Jakob heet, de man die de plaats van zijn broer wilde innemen, al in de moederschoot toen hij de hiel van zijn broer Esau vasthield.
Niet Jacob maar Israël De naam Jakob wordt ook wel uitgelegd als: ‘Hij die beschermd wordt door God.’ Maar kennelijk is dat alleen niet genoeg. Hij krijgt de naam Israël, ‘strijder met God’. Heel intrigerend is de dubbele betekenis hier. Strijder mét God kun je lezen als strijder tégen God, maar ‘met God’ kun je ook lezen als ‘samen met God’. In die spirituele worsteling gaat dat vaak samen: strijden tegen en voor God.
Die onbekende ander heeft dus ook weet van God. Anders kan hij niet zeggen dat Jakob met God en mensen heeft gestreden, en dat Jakob heeft gewonnen. Let wel, er staat niet: Jij hebt gewonnen van God en mensen. Er staat alleen dat hij gewonnen heeft. Daarom wordt deze zin ook zo gelezen dat Jakob de kwade krachten in zichzelf heeft overwonnen. Pas nu kan hij zonder de bescherming van geschenken met lege handen naar zijn broer gaan en in genade hopen op verzoening.
En als de kwade krachten het in ons niet kunnen winnen, als we de worsteling doorstaan hebben, zijn we er dan? Nee, bij elke pas lopen we een beetje mank. En onze oude naam is niet zomaar verdwenen. Dat zien we ook heel mooi in latere Bijbelpassages over deze vernieuwde mens Israël, naar wie een heel volk vernoemd is. Beide namen worden soms in een en dezelfde zin door elkaar gebruikt, bijvoorbeeld in Genesis 48:2, ‘Toen men aan Jakob meegedeeld had: “Zie, uw zoon Jozef komt tot u,” verzamelde Israël al zijn krachten en ging op het bed zitten.’ Zo gezien is de naamsverandering half een beloning,
half een aanmoediging voor Jakob om de nieuwe naam waardig te worden! Het feit dat zijn oude naam zo vaak hierna gebruikt wordt geeft aan dat hij – en dus ook wij – voortdurend dezelfde aanvechtingen en uitdagingen moeten en durven aangaan.
Waarom vraag je naar mijn naam? Jakob is even vasthoudend als de weduwe in het Nieuwe Testament. Hij neemt geen genoegen met de situatie dat het kwaad hem niet overwonnen heeft. Hij wil weten wie zijn tegenstander is. Maar hij krijgt geen antwoord. Maar als je de naam niet weet, hoe kun je dan anderen vertellen wie er met jou geworsteld heeft? En hoe kun je dan die onbekende ander opnieuw aanspreken. Nee, dat is niet mogelijk, zo laat dit verhaal zien. Terwijl je toch de ervaring hebt gehad dat je oog in oog hebt gestaan met het onbenoembare dat je overstijgt, en dat je verder kunt leven met je oude en je nieuwe naam, met je kwade en je goede krachten.
In het Nieuwe Testament zegt Jezus. Je kunt alleen maar doorgaan in aanhoudend bidden over onrecht dat altijd en overal gebeurt. Die weduwe die vermalen wordt in het rechtssysteem door een rechter met een fout karakter, zonder respect voor de verdrukte en die zich alleen zorgen maakt over zijn eigenpositie. Zelfs dan, in dat grote onrecht, moet je doorgaan met bidden. Want dan kan er toch nog iets gebeuren om een heel andere reden dan je vermoedt. Het gaat niet om de onrechtvaardigheid van de rechter, of nu om alles in deze wereld. Maar om de vasthoudendheid van de weduwe!
En dan de laatste zin: Als de Mensenzoon komt, zal hij dan het geloof vinden op aarde? Ja altijd komt er iemand die ons erop wijst wat menselijkheid betekent! Geloven wij dan daarin? Nee, dat is de verkeerde vraag. Er staat: Zal Hij dan geloof vinden op aarde. Nee, er staat: Zal hij dan hét geloof vinden. Welk geloof? Het geloof dat de kwade krachten – in Jakobs spirituele worsteling, in het aanhoudend onrecht van deze wereld – dat die kwade krachten het uiteindelijk niet kunnen winnen van de goede krachten. Laten wij elkaar daartoe bemoedigen in gebed.