Mt. 2, 1 – 12

Jan Renkema
Lezing
Jesaja 60, 1-6

Wat is ons kraamcadeau bij nieuw leven?

Hoe vaak hebben we de profetie van Jesaja al gehoord? Hoe veel malen is ons dat sprookjesachtige verhaal verteld over de drie koningen? Het verhaal is als een diamant met veel schitterende facetten. Wij kennen dit verhaal al zo goed, maar kunnen we er wel mee verder, vanaf vandaag in het vernieuwde jaar?

Drie wijzen, nee niet drie, dat staat nergens. Drie mannen. Nee, staat er ook niet. Wel is het duidelijk dat niemand alleen zo’n verre reis kan ondernemen naar een stal in een achteraf dorpje, waar een baby in een voederbak ligt. Niemand kan dat alleen. Daarom heeft de traditie er drie personen van gemaakt, als symbool van volheid. Wij gaan vandaag allemaal op reis.

Onze reis naar lichtpuntjes in het zwart Zijn wij dan wijzen? Er staat dat het magiërs waren. Mensen die in de kosmos tekens lezen, sterrenkijkers. Ja, er was inderdaad een komeet in die tijd, zo is achteraf vastgesteld, en er waren ook bijzondere standen van sterrenbeelden die geassocieerd werden met nieuw koningschap. Daar is in dit verhaal handig gebruik van gemaakt. Die wijzen die op reis gingen waren sterrenkijkers, mensen die voorbij de horizon lichtpuntjes ontwaren in het zwart van onze wereld? Ja, zoals wij ook een baby een sterrenkijkertje kunnen noemen, wanneer die met het gezichtje naar boven wordt geboren. Dus, wij hebben ook allemaal een ster gezien? Ja, bijvoorbeeld toen we besloten om hier een tijdje te verblijven of hier bleven wonen om voor anderen een herberg te zijn.

En dan die reis uit het verre oosten. Dat is ook allemaal uitgezocht. Zo’n 1000 km langs een gevaarlijke zijderoute richting een kleine vazalstaat aan de Middellandse zee, naar een land dat toen en nu wordt bevolkt in een verscheurde samenleving. Je moet wel gek of levensmoe zijn om zo’n barre tocht te ondernemen. Alleen beschermde karavanen maakten kans om ongedeerd aan te komen. Een ding is zeker: alleen red je het niet.

Het verhaal, toen én nu En dan lezen we nu weer dit verhaal met daarvoor de profetie van Jesaja, die zegt dat over ons de luister van God is verschenen. Daar hebben we elkaar wel voor nodig om dat te kunnen zien in het zwart van onze werkelijkheid.

Ach, onze prachtige traditie. De wijzen, de drie koningen in het verhaal, Caspar uit Azië, Melchior uit Europa en Balthasar uit Afrika, zo zegt de traditie. De drie werelddelen, de hele toenmalig bekende wereld, de oecumene in letterlijke zin, met het dorpje Bethlehem als een soort drie-werelddelen-punt in het centrum. Het centrum waar nu nog steeds culturen wreed en schokkend op elkaar botsen, met nog dag in dag uit drama’s van het kaliber kindermoord. Met ook toen een heerser die zijn macht, koste wat kost, wil behouden, en daarvoor zelfs al twee zonen heeft vermoord. Met een toenmalige kerk die de overheid wel kon vertellen dat er een nieuw koning geboren zou worden, buiten het centrum van de macht. Maar opmerkelijk genoeg ging er geen enkele kerkleider mee naar Bethlehem.

De sterrenkijkers deden het wel. En ze namen kraamcadeaus mee: goud, in alle tijden een waardevast symbool van aanzien en prestige; wierook, geurend symbool van uitzuivering en gebed; mirre, olie waarmee je huid gezalfd wordt om de werkelijkheid lijfelijk te ondergaan, tot aan de laatste balsem wanneer je je lichaam hebt losgelaten.

Na een lange reis het goddelijke ervaren in een kraambezoek Zo’n diepe verhaallaag. We lezen dit verhaal op de dag die Epifanie heet, de verschijning van de Heer. Die wijzen, nee ook wij, gaan in een lange vaak moeilijke reis een ster achterna. En dan blijkt onze reis vervuld wanneer we in een schuurtje achter een opvanghotel een jonge moeder vinden, met een pasgeboren kind. Een gezinnetje dat een paar dagen later weer op de vlucht moet voor geweld. Wat is dan die Epifanie, die goddelijke verschijning? We kennen allemaal de volgende ervaring, denk ik. Je ziet een pasgeboren kind, en je wordt overstroomd door gevoelens van tederheid. Het golft door je heen dat zo’n pasgeboren kwetsbaar wezentje jouw bescherming nodig heeft, jouw koestering om op te groeien. Ieder kind verschijnt in deze wereld als teken van hoop. – Ja oké. Maar dat was dan toch alleen voldoende geweest. Wat is dan het goddelijk licht dat er door heen straalt, de verschijning van de Heer?

Nee, ik denk dat je die vraag pas kunt beantwoorden als je zelf die reis hebt gemaakt. Het gaat er vandaag eerst om dat wij vandaag die lange en vaak moeizame reis gemaakt hebben. En die reis is verre van sprookjesachtig. De Engelse dichter Eliot zegt er dit over:

Het was een onaangename reis Zo lang, zo zwaar, hartje winter

De kamelen, hun vel aan flarden, koppig weerstrevend De drijvers, vloekend op zoek naar onderdak

En steeds in ons hoofd de rondzingende stemmen: Jullie zijn gek geworden!

Toen op een namiddag een herberg

Drie bomen tegen een lage lucht

Op het terras werd al gedobbeld met zilverstukken

Soldatenlaarzen vermorzelden lege wijnflessen

Men wist van niets!

Tegen de avond, geen moment te vroeg Vonden we de plaats.

De koestering van kwetsbaar nieuw leven Het gaat erom dat wij na een lange reis de tekenen van de tijd verstaan en diep ervaren dat er goddelijk licht straalt door elke vorm van nieuw leven heen. En dat alle systemen van volken en culturen, alle structuren van kerken en geloofsovertuigingen alleen maar tot geweld en vereenzaming leiden, wanneer we niet telkens terug gaan naar de kwetsbaarheid van het leven zoals we dat van nature al zien bij een pasgeboren kind.

En dan staan we bij moeder en kind. Er liggen al bijzondere kraamcadeaus: goud, mirre en wierook. Maar, wat nemen wij mee? Hoe kunnen wij zorgen dat nieuw kwetsbaar leven opbloeit in ons samenleven hier, in en rondom onze herberg in deze wereld.

Misschien kunnen we daar even stil mee zijn.