Mt. 14, 13 – 21

Leonie van Straaten
Lezing
Nehemia 9, 15 - 20

Levens lessen van een broodheer

Overweging zondag 2 augustus 2026

Vandaag is het een zomerse overweging die ik begin met een gedicht, waarvan ik de auteur niet heb gevonden.

De molenaar

Rusteloos maalt mijn hoofd de zorgen tot ze fijn zijn

Ik bak er brood van en deel dit met mijn vrienden

Zij eten dit met smaak

Soms droog, vaak met beleg

Rusteloos maalt ons hoofd de zorgen, maar hoe doen we dat? Hoe gaan wij om met de spanningen in de actualiteit? Want die zijn er in onze gemeenschap, in ons land, in onze wereld – ook regelmatig in ons eigen leven. De schepping staat in brand, de natuur kreunt onder extreme droogtes, we horen buitsporige reacties op de komst van asielzoekercentra….

Als het moeilijk wordt, ons teveel wordt, zoeken we soms ons heil in gemakkelijke beelden op t.v. of internet. Afleiding kan soms goed zijn, totdat het verwordt tot ontsnappen aan de werkelijkheid of een andere vorm van diepe ontrouw aan jezelf. Verslavingen, afgoderij – een gouden kalf. In de eerste lezing is het volk op weg naar het beloofde land, zoals in Exodus – maar nu vanuit de ballingschap. Het volk is ontrouw, in scherp contrast tot de trouw van de Enige. Geen broodheer in de aardse zin van het woord – maar wel in hemelse zin: hij is er, aanwezig, in zijn presentie geeft God aan hen wat ze nodig hebben.

In het Evangelie neemt Jezus de wijk, dat doet hij wel vaker in dit evangelie. Want hij moet alles doen wat nodig is om het rijk van menslievendheid gestalte te geven. De moord op Johannes de Doper door de machthebbers is reden van grote zorg voor Jezus. Hij weet dat het zijn lot ook zal zijn, maar voor dat dit zover is moet er nog veel gebeuren. Daarom wijkt hij uit, naar een eenzame plaats om alleen te zijn. Maar hij wordt niet met rust gelaten en als hij dat ziet, wordt hij geraakt – ontroert. De beweging van barmhartigheid is zo sterk, dat hij toch doet wat er verlangd wordt: hij raakt de mensen aan, brengt heelheid en genezing.

Zo hoor ik de beweging in het gedicht:

Rusteloos maalt mijn hoofd de zorgen tot ze fijn zijn.

Ik bak er brood van en deel dit met mijn vrienden.

Jezus deelt zichzelf uit, de kracht die hij ontvangen heeft en heelheid brengt in mensenlevens. Maar de leerlingen zien nog niet wat er werkelijk gaande is, er is nog geen inzicht. Ze lijken meer geraakt te worden door het tekort, dan door de mensen die een beroep op Jezus doen. ‘Stuur ze weg’ – dat is de logische en gemakkelijkste oplossing als er een tekort is. Zij nemen geen verantwoordelijkheid voor deze mensen. Er valt iets te leren en daar klinkt de les: jullie moeten het doen. Zij moeten antwoord leren geven op de nood die er is. Jezus leert hun hoe ze met dat weinige wat er is, kunnen breken en delen. Dat wordt mogelijk, als er relatie met de Enige is en steeds weer gezocht wordt. Jezus neemt de broden en de vissen, bidt met wat er in zijn handen ligt en dan komt het moment dat de leerlingen kunnen meewerken en uitdelen. Vanuit de relatie met Jezus, die leeft in de intimiteit met de Enige. Zo heeft hij hun het voorbeeld gegeven: wie leeft in de liefde van God, zal leven ontvangen in overvloed.

Zo hoor ik het vervolg van het gedicht:

Ik bak er brood van en deel dit met mijn vrienden.

Zij eten dit met smaak, soms droog, vaak met beleg.

Jezus, een broodheer in hemelse zin – hij geeft ons een levensles in dit breken en delen. Mogen we het brood met smaak eten en verteren.