Joh. 17, 1a + 9b – 19
Binnengetrokken worden in de intimiteit met God
Het zijn dagen van wachten, deze dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren. Niet voor niets wordt deze zondag ook wel ‘wezenzondag’ genoemd. Daarmee wordt een naam gegeven aan die ervaring van verweesd achterblijven, die totale leegte. Het zijn dagen waarin het besef doordringt van het definitieve einde van zijn tastbare aanwezigheid, zoals ons dat ook kan overvallen bij het rouwen om een geliefde. Soms is een tijd lang die aanwezigheid nog voelbaar en dan opeens: Leegte, niets. En dan, om die leegte te doorstaan, lezen we dit gedeelte van evangelie volgens Johannes, waarin Jezus voor zijn leerlingen bidt.
Jezus en de leerlingen zijn bijeen, de laatste beslissende uren van zijn leven. Nu is het uur gekomen, zo zegt hij het zelf. De wereld zal zich tegen hem keren, hem definitief de mond snoeren. En dan slaat hij zijn ogen op en bidt. Hij neemt zijn leerlingen mee in zijn bidden. Hij trekt hen nu, nu het erop aankomt, helemaal binnen in zijn intimiteit met God. En wij, eeuwen daarna, voor zover het ons gegeven wordt, mogen erin meegaan. Dit gebed verdraagt eigenlijk, zo beleef ik het, nauwelijks commentaar. Het vraagt eerder om er biddend steeds opnieuw naar te luisteren. Toch een paar woorden:
Ik begreep, dat het juist die intimiteit met God is - waar de leerlingen nu in worden binnengetrokken - die intimiteit met God, die het mogelijk maakt wel in de wereld te staan, maar niet van de wereld te zijn. Dat ‘in de wereld zijn en niet van de wereld’ dat is wat hijzelf heeft geleefd en daar neemt hij de zijnen, zijn leerlingen in mee. Dat is dus ook hun opdracht. Zo worden ze gezonden, zoals Jezus zelf de Gezondene is. Daarvoor bidt hij. En als we geloven, dan maakt dat ‘in de wereld zijn en niet van de wereld’ ook deel uit van onze opdracht. We mogen het zien als een doorgaande beweging van God uit, naar Jezus, naar de leerlingen, naar ons.
Maar wat versta ik dan als het gaat over ‘in de wereld zijn en niet van de wereld’? Als ik luister naar Jezus’ bidden heeft dat alles te maken met die Naam waarin Jezus zelf werd bewaard: de Godsnaam, het ‘Ik ben’. Die Naam, die als een muur om hem heen staat, een dam opwerpt tegen alle kwaad. Die Godsnaam ‘Ik ben’, die het hem mogelijk maakte om ook, nu zijn uur gekomen is, niet terug te buigen naar zichzelf en daardoor de relatie te verbreken. De Naam, die hem behoedt om door dit kwaad te worden aangetast, het vertrouwen te verliezen.
Wat is dan dat kwaad? Het kwaad is het zó leven dat de ander er niet is. Door de evangelist wordt dat, zo begrijp ik, aangeduid met dat woord ‘wereld’. ‘Wereld’ is zo leven dat de
ander geen gewicht heeft, niet gezien, gehoord wordt, de mond wordt gesnoerd. Het kwaad dat de één de ander aan doet en doet lijden.
Als ik met de leerlingen meeluister naar zijn bidden, in die laatste uren van zijn leven, laat ik me dan binnentrekken, zo hechten aan die Naam ‘Ik ben’, dat groeien kan: Ik ben van ’Ik ben’? Hecht ik dan zo aan die Naam ‘Ik ben’ dat ik mijn vertrouwen in die Naam niet opzeg, als ik kwaad ondervind, als ik moet lijden? Dat zijn de vragen die er wat mij betreft toe doen.
Jezus bidt voor zijn leerlingen dat zij bewaard worden, dat zij niet verloren zullen gaan door het vertrouwen te verliezen, zoals hij zelf zijn vertrouwen in ‘Ik ben’ niet opzegt, vertrouwen in die stem ooit in zijn ziel en lichaam ingeschreven: Jij bent mijn geliefde.
Dat vertrouwen bewaren heeft te maken met in waarheid leren leven. In waarheid leven? Zo worden uitgezuiverd door hem, zo gesnoeid (denk aan het verhaal van de wijnstok) - en hoe pijnlijk is dat snoeien - net zolang tot het mij gegeven wordt te blijven staan in verbinding met ‘Ik ben’ wat mij ook overkomt. En: in verbinding met de mensen naast mij, die ook zijn van ‘Ik ben’. Dat is, zo heb ik geluisterd, ‘in de wereld zijn en niet van de wereld’.
Dát in verbinding blijven ondanks alles, wat er ook gebeurt, als het erop aankomt, dát geeft grote vreugde, zo horen we Jezus zeggen.
Dat vraagt stilte, dat vraagt lege, open handen, dat vraagt wachten, dat vraagt dat ik weet Hij voor mij bidt, dat iemand voor mij bidt, dat wij voor elkaar bidden om te kunnen groeien in die vreugde juist ook dan als het er voor ons op aankomt. Laten we nog een keer naar zijn bidden luisteren.