Mar. 6, 30 – 34

Tineke Renkema
Lezing
Jeremia 23, 1 – 6

Gij, om mensen bewogen

Mensen lopen verloren, mensen gaan verloren. Zo was het in de dagen van Jeremia, zo was het in de dagen van Jezus en dat is onveranderd heden ten dage. God spreekt, bij monde van de profeet Jeremia, de leiders van het volk daarop op aan in niet mis te verstane woorden. Zou God dat dan heden ten dage ook niet doen? (overigens niet zonder dat wijzelf in de spiegel kijken, want het volk krijgt de leiders die zij verdient) De leiders van het volk: Zij zijn het die mensen laten verdwalen. En zoals in de tijd van Exodus God zegt af te dalen om te bevrijden om dan Mozes te roepen deze bevrijding op zich te nemen, zo belooft God ten tijde van Jeremia dat hijzelf de verloren schapen weer bijeen zal brengen om dan de belofte te doen dat een herder zal opstaan die dat daadwerkelijk op zich neemt: de verlorenen zoeken, bijeenbrengen en behoeden.

God die afdaalt, God die de verlorenen zoekt om dan de mens te roepen om die naam ‘De Heer is onze gerechtigheid’ waar te maken. En Jezus die dat op zich neemt. In dat grote verhaal staan we. Vandaag lezen we verder bij Marcus hoe dat gebeurt.

Vorige week hoorden we dat de leerlingen door Jezus werden uitgezonden met lege handen en niets anders dan het goede nieuws bij zich. Het goede nieuws van dat rijk waar ‘gerechtigheid’ gebeurt. Dit verhaal van de uitzending en verspreiden van het goede nieuws wordt onmiddellijk gevolgd door het verhaal over de wrede dood van Johannes de Doper door koning Herodes. Het is alsof de evangelist wil zeggen dat dat goede nieuws wordt gebracht in een wereld waar intens wordt geleden, door wat de ene mens de ander aandoet. De macht van het ego tegenover het dienen van de gerechtigheid.

Het goede nieuws waar de leerlingen mee op stap zijn geweest, staat dus onder enorme spanning. We weten het zelf maar al te goed: voordat je het weet valt het goede nieuws weg onder die pijnlijke realiteit. En dan komt die bekende vraag van Van het Reve op: ‘Dat koninkrijk van U, God, wordt dat nog wat?’ En zolang die vraag gesteld wordt of het nog wat wordt met dat Koninkrijk, is er nog verbinding met dat goede nieuws, maar als die vraag niet meer gesteld wordt, dan dreigt dat goede nieuws verloren te raken, verdwenen onder al het negatieve, destructieve. Als wij ons niet verbinden met die vraag of ‘het met dat koninkrijk nog wat wordt’, dan raken wij verloren. En het is God die het zegt en de mens die het moet doen.

De leerlingen komen in het verhaal van vandaag bij Jezus terug. Dat is wat zij doen en wat wij kunnen doen. Terugkomen bij hem met onze verhalen over ons gaan en staan. Terug bij hem komen en alles aan hem vertellen. Met deze tekst begint vaak een retraite: De mogelijkheid om te vertellen wat er is gebeurd, wat er innerlijk beweegt. Het goed en

het kwaad aan het licht brengen in die tussenruimte tussen jou en Hem. Bij hem terugkomen om jezelf onder ogen te komen voor Gods Aangezicht, wetend of langzamerhand beseffend, toelatend, dat dat Aangezicht liefde is.

Na dat vertellen, is er zijn uitnodiging: Ga mee naar een eenzame plaats. Een plaats om stil te worden en tot rust te komen, te gaan naar die innerlijke kern in ons, omgeven door stilte, dat geheim dat we God noemen. Luisteren nu, na al die woorden die we zelf hebben gesproken, in die stilte of Hij iets te zeggen heeft. Die uitnodiging geldt ook ons: Tot rust komen om te leren hoe bijeen te houden: de pijnlijke realiteit én het goede nieuws, en om dan in te gaan op wat leven geeft.

Wanneer Jezus en zijn leerlingen zich dan begeven naar die eenzame plaats, wachten vele mensen hen bij aankomst op. Jezus ziet hen en raakt sterk bewogen. Het gaat hier om die diepe bewogenheid, tot in de ingewanden. In zijn ogen zijn zij als schapen zonder herder, als mensen die verdwaald, vervreemd zijn, verloren zijn geraakt, als mensen die vragen ‘Wat nu toch in godsnaam met mijn leven, waartoe toch?’ Vroeg of laat komt ieder dit tegen. En het is hier op deze plaats, in deze gemeenschap, dat wij zelf in die vraag willen staan en bij iemand willen blijven die deze vraag stelt. Het is die innerlijke bewogenheid, die Jezus ertoe brengt zich te laten onderbreken in zijn verlangen naar rust en stilte. Jezus volgt het spoor van zijn geraaktheid, afgestemd als hij is op Gods bewogenheid.

Jezus zet ons, zoals wij hier zijn, in een spanning aan de ene kant van wat we zelf nodig hebben en aan de andere kant wat de ander, de gemeenschap, nodig heeft. Te vaak, zo voel ik het aan, gaan we die spanning uit de weg. Hoe kun je dat herkennen? Er is dan een zekere onverschilligheid, een zekere rust misschien, maar een rust die geen echte innerlijke vrede geeft, geen vitaliteit oproept. Waar er minder bewogenheid is, minder geraaktheid, is er minder echt leven. Dan zou er een lampje moeten gaan branden. Het licht springt als het ware op oranje. Je bewust worden, dat onder ogen zien, is dan een eerste stap.

Afstemmen op Gods bewogenheid vraagt dus om in die spanning te blijven staan van enerzijds die noodzakelijke rust, mogen thuiskomen bij God, bij die kern omgeven door stilte, op het gras zitten en je laten voeden én anderzijds je laten leiden door de Geest die onrustig maakt bij het zien van wat de ander nodig heeft om dan tot voedsel te zijn. Het gaat erom die spanning niet uit de weg te gaan. Dat vraagt aandacht, luisteren naar die vaak kleine bewegingen van bewogenheid: Daar begint vitalisering van leven mee.

Geloven in de weg van Jezus, het spoor van bewogenheid volgen, vraagt dat niet teveel van ons? Ik weet immers hoeveel wereldleed mij onbewogen achterlaat, terwijl ik er wel weet van heb. En ook dichterbij: hoeveel laat ik niet op mijn eigen plaats liggen. Of de ander kant: neem ik teveel op me?

En toch: Laten we niet ontmoedigd raken: wij zijn Jezus niet. Wij worden geroepen om juist samen het Lichaam van Christus te zijn. Ieder van ons wordt op unieke wijze bewogen, soms groot, vaak heel klein, soms diep, soms oppervlakkig. Maar juist als ieder van ons gehoor geeft, met al die verschillen in geraakt zijn, dan kan er iets gebeuren van die gerechtigheid, die God voor ogen staat. Alleen tezamen met al die verschillen in bewogenheid raken we aan die bewogenheid die groter is dan ons eigen hart, aan Hem die om ons bewogen is. Mag het zo zijn en worden!