Joh. 6, 41 – 51
- Lezing
- 1 Koningen 19, 4 – 8
Het antwoord van Jezus op de woestijnvraag
We hebben al een tweetal zondagen overwegingen gehoord over de zogenaamde broodrede uit het evangelie van Johannes. Deze rede is geen eenrichtingsverkeer vanuit Jezus, want telkens wordt er gereageerd vanuit de toehoorders. Misschien helpt het ons vandaag om te luisteren als wij de vraag ‘wie is Jezus?’ als luisterrichting in gedachten houden. Trouwens: is dat ook onze vraag? Wie is hij toch, wie is hij toch voor mij?
Het begint met de broodvermenigvuldiging. Dat hoorden we twee weken geleden. Jezus begint dus met de fysieke honger te stillen, het brood van de aarde te delen, maar dat is slechts het begin. Zonder dit begin gaat het wellicht niet. Maar het wordt dan al snel duidelijk dat het wat hem betreft daar niet bij mag blijven. Want als mensen hem de volgende dag omwille van dit wonderteken opnieuw zoeken, maakt hij duidelijk dat het uiteindelijk niet gaat om dat brood van de aarde, het dagelijks brood. Hij wil gezocht worden vanwege het brood van de hemel. Hij wil gezocht worden omwille van dat brood dat eeuwig leven geeft.
Het gaat dus, willen wij écht leven (en ik neem aan dat ieder van ons dat verlangen in zich draagt), om leven dat eeuwigheidswaarde in zich draagt, om een heel andere laag, die hele andere dimensie in ons leven, meer, anders dan het gewone van de dagelijkse dag.
En wellicht zouden wij dan ook die vraag hebben gesteld: wat moeten wij doen? Om dan te horen dat wij het bij hem moeten zoeken. Zoeken naar brood wordt dan zoeken naar Jezus zelf. Ik ben het brood uit de hemel, zegt hij. ‘Ik ben’. De Godsnaam klinkt door. Onze vraag naar brood wordt als het ware getransformeerd in de vraag die daarachter verscholen ligt: de vraag naar de zin van ons bestaan, naar God. En de vraag naar de zin van ons bestaan wordt een vraag naar Jezus.
Eertijds in de woestijn was het antwoord op het waartoe, de zin, het brood uit de hemel. Het manna dat onontbeerlijk is om, wat ik maar even noem, om de woestijnvraag, die vraag naar de zin en het waartoe, aan te kunnen. We hoorden dat Elia weet heeft van de woestijn en van de woestijnvraag. Hij weet het niet meer, hij ziet het niet meer, hij dreigt te vallen in het niets. Sta op Elia en eet en ga je weg! Ga onderweg naar die berg, plaats waar God zich aan Mozes openbaarde en waar hij de tien richtinggevende woorden ontving. Manna, brood uit de hemel en de tien woorden om die woestijnvraag aan te kunnen.
En Jezus horen we nu zeggen: Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald, ik ben die 10 woorden, ik ben. Het brood, de tien woorden zijn persoon geworden! Jezus valt ermee samen. Met zijn ‘Ik ben’ identificeert Jezus zich met de God van Israël: ‘Ik ben die er zijn zal.’ Waar het om gaat, is dat te geloven, in hem te geloven. Hij vraagt niet: Geloof in mijn woorden, maar geloof in mij! En dat ‘geloven in hem’ betekent dat je gelooft dat hij die naam van God in zich draagt: Ik ben. Hier is meer dan Mozes! De weg is in hem verder gegaan. Van brood uit de hemel tot hij die het brood zelf is, van de tien woorden aan Mozes gegeven tot hij die dat woord zelf is: mensgeworden woord.
Dat roept enorme weerstand op, dat geeft gemor: Zo radicaal, zo pretentieus, jezelf zo te openbaren. Wie denkt hij wel dat hij is? Jezus is toch de zoon van die timmerman? Deze vraag lijkt er onder meer op te duiden dat je niet kunt geloven dat er een andere herkomst is dan de familiale, niet geloven dat je meer bent dan het kind van je ouders. Niet geloven dat je door meer bepaald wordt dan je feitelijke geschiedenis. De constatering dat Jezus toch de zoon is van de timmerman duidt erop dat je niet in Jezus gelooft, die zich openbaart als ik ben van ‘Ik ben’. Dat hij dat ‘meer’ is. En het gaat juist om dat ‘meer’, en dat juist dat ‘meer’ met de zin van ons leven van doen heeft. Dat het gaat om heilsgeschiedenis, dat spoor van God ook in jouw en mijn leven! Dat het gaat om dat ik ben van ‘Ik ben’ Je bent méér! Zo gaat Jezus ons voor. Hij is dat ‘meer’ Dat wordt ons door zijn leven geschonken.
En aan hem kunnen we zien wat dat ik ben van ‘Ik ben’ betekent: jezelf uit handen geven, je niet bekommeren om je naam, om jouw leven, jezelf geven als brood. Dat is leven dat eeuwigheidswaarde in zich draagt. Het grote geheim, waar we misschien soms heel even aan raken, als, al is het maar voor even, je je eigen gezicht verliest, jezelf verliest, zo dat de a(A)nder er helemaal is. Dat is het méér! Het méér is ook dat je tegen die a(A)nder kunt zeggen: Ik geloof in jou. Dat is het werk dat we moeten doen.
Laten we het ons maar inleven, laten we het maar proeven, voelen wat het zou doen, als je tegen hem, tegen de ander zegt: Ik geloof in jou. Laat het maar inwerken, als we ons voorstellen, dat tegen ons wordt gezegd: Ik geloof in jou. Ik geloof dat jij er bent van Godswege.
En het is God die dat verlangen naar een leven met eeuwigheidswaarde in ons heeft gelegd. Hoe belangrijk is het voor Jezus om daar van te getuigen en daarbij naar God te verwijzen. Weet dat je het niet kunt maken. Het vraagt luisteren naar die innerlijke beweging van de Vader, die trekt. Het is de Vader die trekt, het is de Vader die het meest kostbare geschenk heeft gegeven wat er is: Het ‘ik geloof in jou’ En Jezus is dat geschenk zelf geworden. En hij geeft dat geschenk nu aan ons en vraagt ons om dat te worden: Geschenk worden, zoals hij. Je laten voeden en tot voedsel zijn. Jezus toont ons dat ‘meer’, hij is dat ‘meer’. Jezus zelf antwoordt op de woestijnvraag, de vraag naar de zin en het waartoe, leven, dat eeuwigheidswaarde in zich draagt . Voedsel dat blijft. In te confido.