Luc. 3, 1 – 6
- Lezing
- Baruch 5, 1 – 6
Woestijn: Plaats waar leegte ruimte kan worden
En alle vlees zal het heil van God zien, zo eindigt vandaag de lezing uit het Evangelie volgens Lucas. Dat is waar het naar toe gaat. Alle vlees zal het heil zien, heel de mensheid dus. Dat is een enorme geloofssprong, zeker als we de realiteit van het Joodse land toen, maar ook onze huidige werkelijkheid in ogenschouw nemen. Hoe zal dat dan geschieden? Hoe zal God gebeuren in heel deze wereld? Met dat verlangen, die vraag in me begon ik aan deze overweging.
De tekst van vandaag begint met het bij name noemen van politieke en religieuze leiders van toen. Veel goeds valt daar niet over te vertellen. Wat we van hen weten gaat over macht en misbruik van die macht. En juist in die tijd, ver van het centrum van die macht, daar in de woestijn, in een uiterst scherp contrast, geschiedt of gebeurt het woord van God aan/in Johannes.
Alleen dat al op ons in laten inwerken: Dat we ons niet laten bezetten door die macht, niet ons op de verkeerde manier laten verlammen door het slechte nieuws dat dag na dag op ons toekomt, maar in plaats daarvan onze ogen richten op ja, waarop, op wat, op wie eigenlijk?
De evangelist brengt ons naar de woestijn, plaats van droogte, dorheid, leegte. Je zou er toch uit jezelf niet naar toegaan, en toch ... Weg ván en in scherp contrast mét die plaats van onderdrukking, bezetting, slavernij naar een plaats waar God blijkbaar kan gebeuren. Woestijn als plaats waar heil zijn oorsprong vindt. Dat was ook altijd al de ervaring van het Joodse volk. Bevrijd als zij waren uit Egypte, door de woestijn op weg naar beloofd land.
Ook dat op ons in laten werken, dat het soms in ons/om ons woestijntijd is. Woestijntijd als die ervaring van leegte, dorheid, van niet meer weten, niet meer zien… We horen mensen zeggen: ‘We gingen er niet uit onszelf naar toe, maar de woestijn trok ons, we moesten er naar toe óf vaker misschien: de woestijn overkwam ons, ons gewone vaak te druk bezette dagelijkse leven werd pijnlijk onderbroken door wat zich voordeed. We werden stil gezet. Sommigen vertellen ons of laten ons zien hoe moeilijk het soms was om de leegte uit te houden, hoe pijnlijk het lange, lange wachten was, waar elk perspectief ontbrak. Sommigen vertellen dat het een tijd was waar ze alleen nog konden bidden om de hoop levend te houden en dat soms zelfs dát gebed ook verstomde tot fijngestampte stilte. En toch...
Johannes was daar in de woestijn, in die leegte. En juist daar op die plaats gebeurde het woord van God aan Johannes. In hem is iets geopend en in bevrijding uitgebroken. Een stem in hem, zo stel ik het me voor, die hem noemt bij zijn naam: God is genadig. Een stem in hem, die hem brengt bij hoe hij bestemd is. Het woord van Jesaja valt op hem: te worden als één die roept in die woestijn. Om al roepend iemand te worden die de weg vrijmaakt voor die genade van Godswege.
Ja, dat op in ons laten werken dat het zo kan zijn, dat in de woestijn een woord op ons valt, een woord dat ons op het spoor van onze bestemming brengt, een woord waarin we worden afgestemd op God, een woord waardoor leegte ruimte wordt. Wat is het woord dat ik draag? Hebben wij een gezamenlijk woord dat wij dragen? Zien wij zulke mensen in wie een woord van God is gebeurd in deze wereld van politieke en religieuze machten?
We horen Johannes roepen! Zo’n totaal andere stem dan die vanuit het centrum van de macht, uit Jeruzalem, klinkt. Een stem die mensen oproept om zich te bekeren om zo vergeving voor hun zonden te ontvangen. Het is door die beweging van omkeer dat de paden recht worden gemaakt, de heuvels geslecht. Door die beweging van omkeer zal het mogelijk worden dat God gebeurt: barmhartigheid, gerechtigheid.
Ja, dat op ons laten inwerken: de woestijn, de plaats om een stem te horen, een stem die ons dichter brengt bij hoe we bedoeld zijn, maar niet zonder gehoor te geven aan die beweging van omkeer.
We zien Johannes dopen in de woestijn, die doop van omkeer tot vergeving van zonden. Omkeren, je schoon laten wassen om weer in die beweging van liefde te worden opgenomen. Want dat is vergeving: Weer in die beweging van liefde van God worden opgenomen, weer in relatie staan. Dat was het ook waarvan je was afgekeerd, teruggebogen als je was op jezelf, de ander die geen hulp meer was en niet meer een tegenover, niet leeg genoeg om het appél dat van de ander uitgaat binnen te laten komen. ‘Was mij schoon en ik zal witter worden als sneeuw. Geef een nieuw hart. Zend uw Geest dat ik herschapen word.’
Dat laten inwerken: Je laten dopen, je laten schoonwassen, vergeven worden. Ja, je omkeren om te kunnen zien hoe God, een ander mens naar jou en mij gekeerd staat. Die omkeer waarbij je, om met de woorden van de profeet Baruch te spreken, de mantel omslaat van Gods gerechtigheid, recht doende aan elkaar.
Het is die omkeer, die de paden recht maakt en waardoor de heuvels worden geslecht, waardoor de ruimte vrij komt voor het gebeuren van Godswege.
En dat precies is advent: de ruimte vrij maken voor het komen van God onder ons, opdat alle vlees Gods heil ziet. De ruimte vrij maken voor die geloofssprong. − Geloven en bidden dat deze plaats voor ons en voor wie hier komen, de woestijn in zich draagt.
− Geloven en bidden dat dit een plaats is van omkeer, een plaats waar een woord van God ons kan openbreken en we bevrijd worden, een woord om te doen, te worden zoals we bedoeld zijn. − Geloven en bidden dat dit een plaats is waar we fijngevoelig worden, oog krijgen voor waar en in wie in deze wereld van politieke en religieuze machten het woord van God gebeurt om dat op te nemen en verder te brengen.
Mag het zo zijn.