Luc. 12, 49 – 53
- Lezing
- Jeremia 38, 4-6 + 8-10
Thema’s: Verdeeldheid, weerstand, vuur, geroepen zijn om…
‘Ik kwam om vuur op aarde te brengen en wat zou ik graag willen dat het al brandde.’ Zo begint de evangelielezing van vandaag. Kennelijk is het de bedoeling dat er bij ons op aarde een vuur gaat branden. Maar wat voor vuur is dat? Als je kijkt naar hoe de zin is opgeschreven dan spreekt daar een groot verlangen naar dat vuur: ‘en wat zou ik graag willen dat het al brandde.’
We komen iets van dat vuur dat Jezus bedoelt op het spoor als we verder lezen. “Ik moet een doop ondergaan, en ik word hevig gekweld zolang die niet volbracht is.” Als Jezus hier spreekt over de doop bedoelt hij naar alle waarschijnlijkheid zijn sterven aan het kruis. Dat ziet hij aankomen en het vervult hem met angst, maar er is een vuur dat in hem brandt, het vuur van de liefde die zichzelf wil wegschenken.
Welk vuur brandt in mij? In ons? Brandt er überhaupt een vuur? Of staat het eerder op een waakvlam? Als Jezus nu zou komen, vindt hij ons dan in staat van verwachting? Met een brandend vuur?
Vervolgens spreekt Jezus over de verdeeldheid. ‘Meent gij dat ik ben gekomen om vrede te brengen?’ Ja, dat dacht ik altijd wel. Zo schrijft Lucas het ook in het begin van het evangelie bij de geboorte van Jezus. De hoopvolle vrede. Maar dan komen we in deze lezing van een koude kermis thuis. “Geenszins, zeg ik jullie, ik kom verdeeldheid brengen.” Dat klinkt als een hard gelag. Een rauwe werkelijkheid. En dan lezen we het dit jaar nog uit Lucas en Lucas vertelt het eigenlijk nog mild. Als je kijkt hoe Matheus het beschrijft, klinkt het nog zwaarder. “Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard.” Dan komt het woord vuur opeens in een ander licht te staan. Te vuur en te zwaard ontstaat er verdeeldheid. Het klinkt niet als een boodschap van vrede en liefde.
Om die boodschap te kunnen duiden komt Jeremia ons te hulp. Jeremia profeteert in een periode van onrust en crisis. Een tijd van minstens twee verschillende kampen. De patriotten uit het eigen land die vast geloven dat God aan de kant van Juda staat en de koning aansporen om ongehoorzaam te zijn aan de Babelse onderdrukking. Daar tegenover staat onder andere de profeet Jeremia die zegt dat ongehoorzaamheid jegens Babel, ongehoorzaamheid aan de Eeuwige is. De raadsheren van de koning zeggen dat Jeremia ‘de wil van het volk ondermijnt’.
We zien hoe de verdeeldheid intreedt op het moment dat er een boodschap gebracht wordt die men liever niet wil horen.
De radicale boodschap die Jezus komt brengen kan ook niet direct op dankbaarheid en omarming rekenen. Eerder op weerstand, angst, woede en, inderdaad verdeeldheid. De bóódschap is niet een boodschap van verdeeldheid, maar het gevólg van de boodschap kan wel verdeeldheid zijn. Als de boodschap je raakt, iets in je wakker roept, een vuur ontbrandt dan kan dat betekenen dat je tegen de stroom in moet gaan zwemmen. Het is niet de bedoeling, maar het kan wel gebeuren dat er een kloof ontstaat.
Toch zeurt er dan nog iets in mij. Het voelt te gemakkelijk om de verdeeldheid enkel af te doen als: weerstand van de stroom waartegen je inzwemt. Ik geloof dat ik me nu ook op glad ijs bevind. Vanaf hier is het nog maar een klein stapje naar: 'ik ervaar weerstand want ik heb de boodschap wél goed begrepen en anderen nog niet,' Het gevaar van superioriteit en het oordeel ligt hier op de loer. Daarbij denk ik dat we niet wegkomen met de verdeeldheid enkel af te doen als verdeeldheid onder mensen. Een verdeeldheid buiten onszelf.
Een stukje eerder zegt God tegen Jeremia in een droom: ‘Is mijn woord niet als een hamer die een rots verbrijzeld?’ De woorden van God zijn lang niet altijd even aangenaam om te horen. Het is een oproep om je nek uit te steken.
En als je de boodschap werkelijk wilt leven dan roept het enorme tegenkrachten in onszelf op. Omdat alles aan het licht gebracht wordt. En áls alles aan het licht gebracht wordt, wat zien we dan? Welke verdeeldheden in jezelf kom je tegen? Welke verdeeldheid in de gemeenschap? Of op de plek waar je woont?
Als de verdeeldheid nou ons uitgangspunt is. Het is een gegeven. Omdat we het met elkaar te doen hebben. Het is de moeder tegenover de dochter, de zoon tegenover de vader, de schoondochter tegenover de schoonmoeder. Tegenover elkaar, maar toch onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zonder de verdeeldheid weg te nemen een vorm te zoeken om te blijven bewegen. Dan moeten we die verdeeldheden openleggen, zonder er een oordeel over te vellen. En die oordeelloosheid is nog niet gemakkelijk. Wat roept het in je op als ik de volgende punten noem.
Hoe duurzaam zijn we als gemeenschap? En mag ik anderen daarop bevragen? Hoe geef ik mijn aandacht in mijn werk vorm? Hoe spreek ik iemand anders aan, als ik geen aandacht ervaar? En als ik denk aan Nel en haar overgave om volledig in de gemeenschap te zijn en alles te geven. Dan komen daar onvermijdelijk verdeeldheden aan het licht. Breng ik alles in naar vermogen in en welke keuzes maak ik daarin?
Welke verdeeldheden voel ik diep van binnen wel, maar heb ik nog niet bespreekbaar durven maken?
Uit beide lezingen spreekt vandaag de oproep om je te engageren. En daarmee automatisch ook de oproep om elkaar daar scherp op te houden. En hoe doe je dat zonder dat je in het oordeel schiet?
Een van mijn leerlingen is uitzonderlijk goed in het niet oordelen. Zo was er laatst een vraag in het rekenboek over het aantal koekjes voor een visite. Er kwamen 8 mensen op visite en er waren 7 koekjes. Heb je dan genoeg koekjes? De leerling kan dan ‘ja’ of ‘nee’ aankruisen. Ze zat al een tijdje naar de som te staren. Ik vroeg haar of ze de som samen wilde doen. Dat vond ze goed. Ik las de vraag voor en wachtte op antwoord. ‘Ja’ zei ze ‘dan heb je wel genoeg.’ Ik keek nog even naar het boek waar toch echt stond: 8 mensen en 7 koekjes. En ik dacht na over wat een passende reactie zou zijn. ‘Kan je dat uitleggen?’ zei ik uiteindelijk. ‘Nou’ zei ze. ‘Er is altijd wel iemand op dieet. Of iemand die gewoon niet hoeft. En als ze wel allemaal willen, dan mogen ze mijn koekje wel hebben.’ ‘Ah’ zei ik. ‘Dat is slim bedacht. Maar… wat denk je dat er in het antwoordenboek staat?’ ‘O’ zei ze, ‘daar zal wel staan dat het niet kan.’
Juist. En zo was er zomaar een weg. Zonder de realiteit te ontkennen, zonder een oordeel over goed of fout. Dit is gewoon de situatie zoals hij is. Natuurlijk moet je soms delen of kom je soms tekort. En die realiteit mag niet worden ontkend of verdoezeld. De grootste vijand van vrede is misschien niet eens oorlog, maar ‘lieve vrede’. We hebben getuigen nodig die het vuur blijven bevragen. We hebben elkaar daarin nodig.
Welk vuur wordt door de lezing van vandaag bij mij aangewakkerd? En wie mag mij daarin wakker houden? Dan denk ik graag aan wat de Benedictijnen al zeiden in de 6e eeuw: ‘We zijn levenslang beginners.’ We mogen elke keer opnieuw dit vuur ontdekken. En het fijne van beginner zijn is dat je kleine stapjes mag zetten en dat je er een hand bij mag pakken. Mag het zo zijn.