Luc. 11, 1 – 13

Tineke Renkema
Lezing
Genesis 18, 17 – 32

Al bidden worden wij omgevormd

‘Heer, leer ons bidden’. Dat is de vraag die de leerlingen, onderweg met Jezus, aan hem stellen. Is dat eigenlijk ook mijn, onze vraag? Of is dat verlangen om te leren bidden misschien ondergronds gegaan aan vanzelfsprekendheid, het leven van alledag?

En misschien kennen wij die ervaring: Het is het aanwezig zijn bij een werkelijk biddende ander, die dat verlangen om te leren bidden kan openen. Nel, die we de afgelopen week hebben moeten loslaten, was iemand die dat opriep, biddende vrouw die ze was. Zo is het de leerlingen ook vergaan, denk ik. Hun verlangen naar werkelijk bidden open gekomen, omdat zij Jezus zagen bidden. Maar eerst luisteren we naar het bidden van Abraham.

We hoorden een uiterst bewogen dialoog tussen God en Abraham. Abraham wordt daarbij opnieuw door God op de proef gesteld, zo hoorden we bij de leerhuizen jaren geleden van Niek. Beproeving is dan niet zozeer het nu eenmaal uithouden van lijden, van verdriet in ons leven, maar veel eerder pijnlijke ervaringen in ons leven op zo’n manier verwerken dat er meer ruimte, een grotere vrijheid, meer echt léven ontstaat.

Met dat in ons achterhoofd, horen we vandaag, hoe God overlegt met zichzelf of hij Abraham wel zal laten delen in zijn plan om Sodom te vernietigen. Sodom, dat van godverlaten oord, waar rechten van mensen gruwelijk geschonden worden. Wat doet dat met ons Godsbeeld: Een God die overlegt? En een mens die dat opvangt, die luistert?

God heeft met Abraham een verbond gesloten en Abraham heeft net heeft gehoord dat hij nu echt vader zal worden van een zoon, begin van een groot volk. En dat volk zal de weg van de Heer bewaren door recht te doen. Maar wat betekent dan recht doen, rechtvaardigheid? Staat dat niet haaks op Gods plan om tot totale vernietiging van Sodom over te gaan, wetend dat daar toch niet alléén kwaad heerst. Lot woont dar immers, zijn neef.

Abraham staat voor een keuze. Zal hij de moed hebben om te reageren op Gods plan tot vernietiging of zal hij zich afzijdig houden? Zal hij God durven bevragen? Zal hij werkelijk die Verbondspartner durven zijn, door God erop aan te spreken dat het toch echt niet zo kan zijn, dat ook de goeden samen met de kwaden zullen worden vernietigd? Dat is toch geen rechtvaardigheid!

Abraham blijft staan voor God. Zie het voor je. Hij houdt daarmee ook God als het ware staande. Abraham blijft niet alleen stáán, hij komt zelfs dichterbij. Hij waagt zich aan God

en in zijn spreken is hij én nederig én zelfbewust. Zijn bidden is zich wagen aan God, zoals God zich waagt aan Abraham. Steeds verder gaat Abraham in zijn spreken met God om toch omwille van de goeden niet tot vernietiging over te gaan. Tot tien gaat het: omwille van tien rechtvaardigen de stad met al zijn kwaad niet ten onder te laten gaan. Tien, het minimum aantal dat nodig is om in de synagoge te kunnen bidden. Tien onder ons bij wijze van spreken als minimum om een biddende gemeenschap te leven! Bidden is, zo hoor ik het vandaag: blijven staan voor God, dichterbij komen, openvouwen wat erin je leeft en dan weer luisteren.

De leerlingen in het evangelie van vandaag, zien Jezus bidden en dat doet hen vragen: Heer, Leer ons bidden. Zij vragen meegenomen te worden in die intimiteit met God. Vader, zo begint Jezus zijn gebed. ‘Onze Vader’ bidden we dagelijks. Het zijn immers de vaders die bij onze geboorte ons bestaan moeten erkennen als zijnde van zijn oorsprong. Voor een moeder is dat vanzelfsprekend. Het kind wordt immers uit haar geboren. Daar kan geen twijfel over bestaan. Het zijn de vaders van wie het zo belangrijk is dat zij daadwerkelijk bevestigen: Jij bent mijn kind, ja, jij bent de mijne.

Als Jezus ons leert God als onze Vader aan te spreken, leert hij ons onszelf te beleven als zoon of dochter en God te zien als iemand die ja heeft gezegd op ons bestaan en erkennen wij God als staande aan onze oorsprong. Onze vader bidden wij. Dus niet alleen die vader van mij, maar ook die van jou. Wij worden broers en zussen door dat ‘Onze Vader.

Uw naam worde geheiligd. Jezus’ bidden begint met een vraag, een diep verlangen om gericht zijn op God als heilig: O heilige onsterfelijk God, zingen wij regelmatig. Die naam met huiver, eerbied en ontzag omgeven. En beseffen: Nog altijd weet ik niets van U.

Uw koninkrijk kome: Bidden om dat verlangen te dragen naar dat rijk van Gods menslievendheid.

Bidden ‘Uw Naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome’ is die vraag zelf worden, dat verlangen laten groeien. Het verlangen om zelf uit het centrum te staan en juist daardoor aanwezig, beschikbaar te komen. Wetend dat juist dat gelukkig maakt. Het is eigenlijk heel enkelvoudig: Niet mijn naam, maar de uwe, niet mijn rijk, maar het Uwe.

Dán komt er ruimte om God te vragen ons het nodige brood te geven. Net zolang vragen totdat wij zelf oog hebben voor die broodnodige behoeften van die ander.

En dan bidden om vergeving. Al biddend beseffen wij onze schuld, ons werkelijk tekort, ons gebrekkig antwoord op de liefde van God, ons zo gebrekkig aannemen van die liefde van God. Ons laten vergeven, bidden om vergeving ook, net zolang totdat wij ook elkaar vrij maken, elkaar los te maken van het kwaad. Net zolang bidden om een weg te gaan met die ander, zoals God die met ons gaat.

Breng ons niet in beproeving. Lastig als we net hebben gehoord dat Abraham wel degelijk door God wordt beproefd, beproefd om meer en meer de mens te worden zoals bedoeld, je aan God en je medemens te wagen. Jezus zelf is een beproefd mens. Is hier wellicht bedoeld dat wij bidden om de verleidingen te weerstaan, die bekoringen die ons afleiden van de weg van God, die onze liefde aantasten. Verleidingen die ons afhouden van Leven zoals bedoeld. Net zolang bidden om onszelf én die ander niet af te leiden van die weg van God.

Wat is bidden? Bidden, net zolang, steeds opnieuw, tot ik me verbind met dat wat ik vraag, met dat wat ik verlang. Houd mij aan mijn vragen Heer. Bidden is die beweging van niet ik, maar Gij, niet ik, maar jij.

Staan voor Gods aangezicht, dichterbij komen. God is er. Maar ik moet zelf al biddend aanwezig komen. Luisteren naar binnen waar de ziel, waar God spreekt, wachten op een woord wat mij overstijgt.

En stil zijnde met dit alles, hoorde ik: Het is niet God die verandert als wij tot hem bidden. Nee al biddend veranderen wij zelf. God verandert niet. Hij is er: die stroom van liefde en barmhartigheid. Al biddend zijn wij het die veranderen, die worden omgevormd om die liefde en goedheid op ons te nemen en recht te doen.

Mag het zo zijn.