Luc. 15, 1 – 32

Tineke Renkema
Lezing
Exodus 32, 7 – 14

Zoeken de zachtheid

Mozes is op de berg Sinaï in gesprek met God en het duurt en duurt en duurt. En het volk aan de voet van de berg wacht en wacht en wacht. Zij worden het wachten moe. Hun trouw aan die ervaring van bevrijding uit het land van slavernij wordt zwaar op de proef gesteld. Er gaan steeds meer stemmen op die de onvrede aanwakkeren. En Aaron geeft uiteindelijk gehoor: Een gouden kalf wordt gemaakt.

We kennen het tot op de dag van vandaag, om ons heen, en in onszelf: een god van eigen maaksel, een god waar je greep op hebt, die houvast biedt, een god die ons ego dient. Een god van eigen maaksel om aan die ervaring van Gods afwezigheid te ontkomen, om maar aan die zo pijnlijke verlatenheid te ontkomen. Een afgod die leegte opvult, die leegte die zo nooit ruimte kan worden.

God laat Mozes weten hoe woedend hij op dit volk is en vraagt Mozes dringend hem met rust te laten zodat zijn woede los kan branden. En tegelijkertijd belooft hij aan Mozes, dat Hij hem tot een groot volk zal maken. Het lijkt erop dat Mozes hier wordt beproefd, zoals Abraham eertijds. Maar Mozes zwicht niet voor die verleiding dat God hem groot zal maken, maar hij zoekt in plaats daarvan, zo staat het in de Bijbelvertaling die wij lazen: de zachtheid van het Aanschijn van de Ene. Én: God geeft gehoor! God toont berouw en keert zich naar zijn volk toe. Hoe bijzonder is dit.

De zachtheid zoeken: daar is het ook Jezus om te doen. De zachtheid zoeken in het aanschijn van de mensen die hij ontmoet, die zachtheid die verloren kan raken. Dat geldt voor de Farizeeën, dat geldt voor de tollenaars en zondaars, dat geldt voor ons.

Maar waar de tollenaars en de zondaars naar Jezus toekomen om naar hem te luisteren, daar nemen de Farizeeën juist afstand van Jezus. Waarom die afstand? Omdat Jezus eet en drinkt met deze zondaars, deze verloren schapen van het huis van Israël. Het is de Farizeeën een doorn in het oog. Het mag en kan niet. Het is tegen de wet, die wet die zij hoog houden. Zij verharden zich en zoeken de confrontatie naar de mate Jezus hun zachtheid zoekt.

Valt deze houding van de Farizeeën te begrijpen? Ik stel me deze vraag omdat het te gemakkelijk is om hen zo maar weg te zetten. Misschien kunnen we inzicht krijgen wat het in ons is, wat ons toch doet verharden, wat ons tot Farizeeër maakt.

Luisterend kwam ik tot het volgende: Het is de Farizeeën heel wat waard helder te zijn en duidelijkheid te scheppen dat waar een mens zich niet houdt aan de Thora, waar een

mens zondigt en zich afkeert van God, dat zo’n mens dan verloren raakt en dat je je van zo iemand moet afkeren. De gedachte daarachter zou wellicht kunnen zijn, dat waar je je met het verlorene inlaat, waar je je verbindt met een zondig mens, dat je dan groot risico loopt om in verwarring te raken over wat goed is en wat kwaad, dat je niet meer goed kunt onderscheiden tussen wat goed is, wat kwaad.

De gedachte is dat waar ik in aanraking kom met het kwade van de ander, het goede in mij kan worden aangetast. Het zuivere kan worden aangetast door het onzuivere. De gedachte is, dat je daarom van het onzuivere ver moet blijven. Je moet het de rug toedraaien. Wie van ons kent niet deze angst, die leidt tot dit zwart-wit denken? Deze angst die leidt tot afschermen, buitensluiten. We zien het toch gebeuren?

Jezus keert zich ook tegen de zonde. Dat onderscheidt hem niet van de Farizeeën. We horen hem immers vaak zeggen: Ga heen en zondig niet meer. Maar: anders dan de Farizeeën is hij niet bang zich met tollenaars en zondaars in te laten, niet bang dat zijn goedheid zal worden aangetast door het kwaad. Integendeel Hij zoekt hen. Gods liefde, die liefde die hij helemaal heeft toegelaten en de grond is waarop hij staat, is groot en sterk genoeg om het kwaad te weerstaan.

Het zegt mij, dat het erom gaat onze liefde zo te laten groeien dat de grond waarop wij dan staan stevig genoeg is om ons met het verlorene in te laten en dat het daarom niet meer nodig is ons af te keren. Zo gaat Jezus ons voor en eet met tollenaars en zondaars. Hij zoekt hen en zij zijn het die luisteren. De Farizeeën blijven morren en keren zich steeds meer tegen hem.

Maar Jezus blijft ook hen zoeken. Waar rechtstreekse gesprekken vastlopen, probeert hij het nu door middel van de voor ons zo bekende drie parabels. Het gaat - het kan ons niet zijn ontgaan- in alle drie gelijkenissen er om − dat iets of iemand verloren raakt, − dat er iemand doordat zoekgeraakte helemaal in beslag wordt genomen en zich om dat verlorene bekommert en alles inzet om het terug te vinden, − dat wat/wie verloren was, wordt gevonden, − dat er grote vreugde opspringt over het gevonden worden, − en dat die vreugde wordt gedeeld.

Luisterend naar deze gelijkenissen zien we dat voor Jezus centraal staat dat God het verlorene blijft zoeken. Hij blijft altijd uitstaan naar verbinding. God keert zich nooit definitief van een mens, van mij af. Dat is waarop Mozes vertrouwde. Dat is waarop Jezus vertrouwt. Het is die God die zich niet afkeert, die Jezus openbaart. Zoals God, zoekt Jezus naar de zachtheid van ons aangezicht. Hij zal zoals de Vader van de twee zonen blijven wachten, wachten en wachten. Hij wordt dat wachten niet moe. In deze laatste overbekende gelijkenis, waar we in de veertigdagentijd van het afgelopen jaar al uitgebreid bij

hebben stilgestaan (dat zal ik vandaag dus niet doen) wordt nog iets heel belangrijks toegevoegd: het je willen laten vinden!

Waar een mens niet tot zichzelf komt, zich niet openvouwt, niet laat zien wat er is, aan verharding, aan verlorenheid, aan lege handen, daar kan hij niet worden gevonden. Dat is wat de jongste zoon doet. Hij komt tot zichzelf, tot inkeer, en opent zich en vindt in de diepte de naam van de vader. Dan kán de vader, die is blijven uitstaan naar hem, hem vinden en hem omgeven met de mantel van zijn liefde. We zien die vader ook uitstaan naar de oudste, hem zoeken, waar deze in woede ontsteekt en zo iets van zichzelf openvouwt. Of dit doorzet? Of deze oudste zoon zich laat vinden? Het verhaal laat het open.

Dit is dus de vraag waarmee wij naar huis gaan: Laten wij ons vinden? Komen we tot onszelf en openen wij onze verlorenheid, vertrouwen wij ons toe aan God, die zoekt de zachtheid van ons gezicht, opdat wij op grond van die ervaring elkaar zoeken en gemeenschap stichten.

Mag het zo zijn.