Mat. 18, 21 – 35

Leonie van Straaten
Lezing
Jezus Sirach 27,30 – 28,7

Mensenkind, waarom zou je wraak zoeken?

Vorige week werden we hier heel persoonlijk aangesproken: “Mensenkind, zoon of dochter van Adam, je bent geschapen om op God te lijken: goedheid, liefde, trouw. Je bent goed zoals je bent, zó ben je bedoeld. Neem dan ook je verantwoordelijkheid: spreek je uit en spreek elkaar aan. En doe dat met het oog op volk worden.

Vandaag lezen we verder in Matteüs 18. Dit hoofdstuk is de gemeenterede en gaat over gemeenschapsopbouw, volk worden. De eerste verzen gaan over de vraag wie de grootste kan zijn en vervolgens zet Jezus een kind in hun midden. Onaanzienlijk en kwetsbaar: als je zo weerloos in je kracht kunt staan, dán zal je in het Koninkrijk leven, want op die wijze wordt het Koninkrijk opgebouwd. Maar Petrus, die gehoord heeft over de weg die gegaan moet worden als een broeder iets misdoet, voelt wel aan dat dat niet zo gemakkelijk is. En hij vraagt: Hoe vaak moet ik kunnen vergeven om mijn broeder of zuster te winnen? Zeven is een mooi getal, heilig, vol, helemaal niet zo gek dat hij dit voorstelt. Maar ja, het antwoord wat hij dan krijgt en wat wij vandaag dus ook krijgen, dat lijkt eerder een onmogelijke opgave: niet 7 maar 70 maal 7… Grenzeloos meer dan wij kunnen bedenken. En over deze bijna onmogelijke opdracht vertelt Jezus dan een gelijkenis, om te illustreren wat het inhoudt en hoe het kan gaan.

Een parabel over het Koninkrijk. Dat Koninkrijk van de kinderen Gods. Voor koning staat hier ‘curios’: in de parabel verwijst dit dus naar God. Enerzijds vraagt die koning alles van de dienaar. Hij moet rekening afleggen en is verantwoordelijkheid verschuldigd. Neem je verantwoordelijkheid op je, mensenkind! Het is nog een hele kunst om te onderzoeken of je daadwerkelijk schuld draagt, of dat het alleen maar een gevoeligheid is, maar áls we schuldig staan, moeten we onze verantwoordelijkheid nemen en oog in oog met de a/Ander gaan staan. God vraagt alles, dat is de ene kant. Maar anderzijds mogen we vertrouwen: God vergeeft ook alles. Die grenzeloze schuld daar tegenover staat, horen we in de gelijkenis, een grenzeloze vergeving. Die grenzeloosheid hangt samen met de ontroering van de heer, vanwege die dienaar die voor hem op de knie valt. Oftewel: die onder ogen ziet dat hij zijn verantwoordelijkheid moet nemen en moet terugbetalen. Dit inzicht is voldoende om die beweging van barmhartigheid en vergeving op gang te brengen: hij wordt vrijgesproken. De Heer laat hem gaan. Het woord ‘vergeven’ betekent immers: vrij maken, losmaken.

Maar deze vergeven en vrije mens is dan meteen als hij buiten komt onbarmhartig ten op zichtte van zijn medemens. Die medemens heeft maar een kleine schuld, want die dienaar zelf had een ongelofelijke grote schuld, was in die tijd niet denken. Tienduizend was het grootste getal wat er toen bekend is. En deze mededienaar was maar honderd denarieën schuldig. Het gaat eigenlijk nergens over, maar de dienaar die zelf vergeven is,

laat zijn mededienaar niet vrij. Hij maakt hem niet vrij van die kleine schuld. Hij laat hem niet gaan, integendeel: hij gooit hem in het gevang. Hier is dus geen sprake van vergeving, maar van wrok. Die wrok waarvan Jezus Sirach ons zegt: “het is afschuwelijk”. We kennen het misschien wel hoe wrok in je kan door-etteren waardoor je jezelf vastzet, hard wordt en in wrok blijft hangen. Dat gebeurt dan ook met deze dienaar die vergeven en vrijgemaakt was door zijn Heer, want hij maakt nu zijn Heer diepbedroefd door dit gedrag. Hij moet alsnog die onbetaalbare schuld terugbetalen en dat betekent in feite: levenslang vast, zo groot was die schuld.

Dat de Heer die eerst grenzeloos vergeeft nu grenzeloos straft, is een moeilijk te verteren boodschap. Daar moet je op kauwen en dat is precies de bedoeling van een gelijkenis: erop kauwen. Misschien is het zo: grenzeloze barmhartigheid betekent niet dat alles oké is wat wij doen. Het is geen mooie, zoete saus van gelovig leven. Daar waar een ego zozeer in de weg zit en in feite haaks staat op die opdracht om onaanzienlijk als een kind te worden, daar is die harde aanpak misschien soms nodig. Met dit gedrag roepen we de hardheid ook over ons zelf af, zoals deze dienaar dit over zichzelf heeft afgeroepen.

Grenzeloze barmhartigheid betekent in mijn ogen dat er altijd vergeving mogelijk blijft. Als ik met mijn ego breek en mijn ogen weer opengaan voor de kwetsbaarheid en de kracht daarvan. Deze parabel bracht mij bij ons dagelijks gebed van Onze Vader: ‘Vergeef ons onze schuld, zoals wij ook anderen vergeven.’ Het is altijd mogelijk om die vergeving te ontvangen, maar het blijft een dagelijkse oefening. Deze bede van het Onze Vader gaat voor mij hand in hand met het belangrijkste gebod: ‘Heb je naast lief zoals jezelf.’ Beiden plaatsen ons in de verhouding tot ons zelf, tot God, tot de naaste. Ze doordringen ons van wat wij moeten weten en zo vormen ze ons geweten. Het is niet voor niets dat de profeet ons vandaag zegt: ‘Zie onwetendheid maar door de vingers’. Dat is ook een hele belangrijke boodschap om bij ons te houden, opdat we niet verharden in ons oordeel over de ander en uiteindelijk in wrok blijven steken. Er is schuld, er zijn misstappen in ons eigen leven en in de wereld t.o.v. vluchtelingen en de aarde. Er is veel werk aan de winkel, maar is een weg te gaan, mits wij die weg stap voor stap en dag voor dag durven gaan. Elkaar in de ogen zien, het appèl om te vergeven met ons meedragen: zo groeien we persoonlijk en bouwen we ons gezamenlijk leven op. Zo kunnen we heel worden, een mensenkind dat kijkt met de ogen van een kind, kwetsbaar en geroepen, geschapen naar Gods beeld.