Mat. 21, 23 – 32

Annet van Straaten
Lezing
Ezechiël 18: 25 –32

God schrijft recht op kromme regels

In Ezechiël gaat er een discussie over de al dan niet rechte wegen van de Heer. Aanleiding was de heersende moraal, dat wanneer een vader zonde beging, de zonen hiervoor moesten boeten. Ezechiël brengt hier tegenin, dat God zo niet is, maar de mensen alleen beoordeelt op hetgeen zij tijdens hun eigen leven doen. Wie goed doet zal leven, wie onrecht doet zal sterven; zo niet letterlijk, dan toch leven zij afgesneden van de gemeenschap. Het volk protesteert hiertegen: dát klopt niet. Dat zijn niet de rechte wegen die zij kennen. Die ook wij kennen!

Waar de Heer bij monde van Ezechiël op antwoord dat juist híj rechtvaardig is en de wegen van de mensen niet recht zijn.

Gods wegen zijn niet de wegen van de mensen. God overstijgt ons, onze gewoontes en alles wat wij kennen en toepassen onder elkaar. God geeft leven en vergeeft wat wij tegen het leven in doen en laat ons elke keer weer opnieuw beginnen. En wij verwijten God, dat hij niet rechtlijnig is, niet calculeert zoals wij: voor wat hoort wat, loon naar werken en wie verkeerd doet moet gestraft. God werkt zo niet en dat ontregelt ons. Dus klagen wij, dat God niet is zoals wijzelf: voorspelbaar en daarmee tot onze beschikking, zoals het ons uitkomt.

Maar God. Jij bent groter dan wij kunnen bedenken. Jij wil ons leven, niet onze dood. Jij schrijft recht op ons, kromme regels die wij zijn.

God weegt geen zonden af tegen goede daden. Hij gunt ons mensen het leven. Mensen die tegen het goede íngaan, krijgen te lijden in het leven. En als zij zich bekeren, keert hun leven ook weer ten goede. Want God, zo zegt de Heer bij monde van Ezechiël, wil het geluk en niet de ondergang. Hij is niet haatdragend, maar vergevend. Hij verheugt zich niet in vergelding. Hij roept op tot bekering om in leven te blijven, elke keer weer. Dát is de blijde boodschap uit deze lezing.

In Mattheüs speelt een krachtmeting tussen de hogepriesters en Jezus. Wat is dat voor een vraag, over de bevoegdheid van waaruit Jezus onderricht geeft? Ze vragen eigenlijk: erken jij ónze bevoegdheid wel; die van de heersende macht. Zij, de hogepriesters, die de dienst uitmaken. De vraag gaat erover, wie het voor het zeggen heeft.

Jezus antwoordt niet rechtstreeks, maar met een tegenvraag over God.

Hij gebruikt het voorbeeld van het doopsel door Johannes, waar zoveel mensen door geraakt werden en zich bekeerden. Jezus wijst met zijn vraag naar waar het doopsel vandaan kwam, op de grootheid van God. Een grootheid die de gevestigde autoriteiten te boven gaat.

Ook de hogepriesters ontwijken het antwoord. Om niet door Jezus gevangen te worden. Jezus had het daarbij kunnen laten. Maar hij gaat het gesprek verder aan. Hij gaat nu hén onderrichten. In de vraag over de twee zonen komen wij allemaal aan het licht. De ja-zeggers die nee doen en de neezeggers die ja doen. Hebben we ze niet allemaal in ons? Waar horen de hogepriesters bij? Uit hun antwoord blijkt, dat ze weten wat rechtvaardigheid is. Je kunt beter de neezegger zijn, die ja doet.

En dan trekt Jezus de vergelijking door naar henzelf en maakt die pijnlijk actueel: de Farizeeën leggen het af tegen het uitschot van het volk, de tollenaars en de hoeren. Want díe lieten de boodschap van Johannes binnen en bekeerden zich. En de hogepriesters die dat zagen, hebben zich niet door die boodschap laten aanspreken en er geen geloof aan geschonken. Vanuit welke bevoegdheid bekleedden zij dan eigenlijk hun positie?

En wij? Aan wie geven wij ten diepste gehoor in ons leven? Wij worden uitgenodigd om te luisteren en wanneer nodig, ons te bekeren. Steeds opnieuw. Zodat wij in leven blijven.