Joh. 15, 9 – 17
- Lezing
- Handelingen 10,25 - 26 + 34 - 35 + 44 - 48
Het gebod van de liefde: een licht juk!
Afgelopen week had ik op de avond van 4 mei met de twaalf priesterstudenten die ik in onze kerk begeleid, een gesprek over leiderschap. En in dat gesprek maakten we ruimte voor de dodenherdenking. De studenten vertelden over hun zorg, het verharden van de tijdsgeest, het groeiende populisme, individualisme, nationalisme. En ze stelden elkaar de vraag: ‘Wat zetten wij als christenen hier tegenover?’ Met die vraag staan de lezingen volgens mij midden in de actualiteit.
Want het gaat in mijn ogen vandaag over leven vanuit de bron van liefde. Dat impliceert dat wij openstaan voor het vreemde, de vreemdeling. In de eerste lezing uit het boek Handelingen is te lezen dat zowel Petrus als Cornelius zich openen voor dromen en visioenen: het vreemde van Godswege. En daardoor komen zij in ontmoeting met elkaar: met de vreemde medemens. Cornelius is een heiden, die als wel Godvrezend is en openstaat voor wat hem overkomt. Petrus is verrast en komt tot inzicht dat ieder die God dient en het goede doet, toegelaten mag worden tot die nieuwe Jezusbeweging. Want bij God is geen aanzien des persoons. Midden in de die ontmoeting en door de openheid die er is, gaat de Bron zelf stromen: heilige Geest komt op allen neer die luisteren, op allen die zich openen. Het eerste Pinksterfeest was met de gelovigen uit de besnijdenis, dat wil zeggen: de joden. Wat wij vandaag horen wordt ook wel het Pinksteren van de heidenen genoemd: heilige Geest daalt op de onbesnedenen neer. Zij nodigen Petrus uit om bij hen te blijven: het onbesneden zijn is niet langer een taboe, een belemmering in de gastvrijheid. Ze zijn immers allen ondergedompeld en dit was een besluit van de heilige Geest, dus van hogerhand.
Geloven gaat ook in onze dagen over het openen voor en leren van ontmoetingen met mensen die in een andere context leven. Dat is een uitdaging, want als we daarop ingaan, zullen we veranderen. Maar dit leerproces is noodzakelijk voor de toekomst van kerk en gemeenschap. En blijkbaar was dit inzicht er al vanaf het eerste begin in de vroege kerk.
In het evangelie horen we Johannes heel expliciet over de liefde, als een vervolg op de de gelijkenis van de wijnstok en de ranken. Het gaat ook nu nog steeds over de onverbrekelijke verbinding en het is nog altijd onderdeel van de afscheidsrede: nu komt het erop aan dat de boodschap van de liefde doordring. Het heeft een hoge urgentie voor Jezus. Die urgentie is er ook voor Johannes in zijn tijd, als hij dit vele jaren na Jezus’ dood en verrijzenis op schrift stelt. Want de breuk tussen de nieuwe Jezusbeweging en de eigen groep joden is een feit geworden en daarom is de opdracht tot liefhebben urgent om niet verder uit elkaar te vallen.
Die urgentie is er ook in onze tijd: er is zoveel eenzaamheid, zoveel zoekende en naar verbinding verlangende mensen. Er zijn zoveel mensen die niet meer weten hoe ze ergens bij kunnen blijven, ongedurig blijven zoeken en niet verzadigd worden, niet ten diepste vinden en thuiskomen. Juist daarom is het werkwoord ‘blijven’ dat zo typerend is voor Johannes, heel belangrijk. Want blijven betekent bij Johannes ook wonen, weten waar je thuis bent en dat fundament onderhouden. Blijven, bij iemand blijven: het kan van grote waarde blijken in je leven. Blijven als een levenskeuze, een engagement gaat over blijven bij de Bron van liefde, omwille van blijvende vruchten.
Maar: kan liefde een gebod zijn? Dit lijkt zo paradoxaal, maar in essentie gaat het over een liefde die niet vrijblijvend is. Het gaat over een liefde die je leert jezelf te geven, je leven te geven, je eigenbelangen uit handen te geven… En ja, dat is een opdracht, een gebod. Maar met het vooruitzicht van de volkomen vreugde! Daarom is dit gebod niet moeilijk, niet zwaar, zoals we vaker horen in de Schrift: dit juk is licht.
Nog even terug naar de vraag van de studenten: wat zetten wij als christenen tegenover de tendensen van individualisme, populisme, enzovoort? Voor hen bleek het enige antwoord: geweldloze communicatie vanuit de bron van liefde, om staande te blijven in woelige tijden, in onze woelige wereld. Geen ‘wij en zij’ cultuur stimuleren, maar je inzetten voor verbinding, dialoog. En je dus openstellen voor de en het vreemde. Ook aan ons is het altijd opnieuw de vraag of we bereid zijn ons te openen voor het onbekende, omwille van toekomst. Je zo openen vraagt moed om het leven – ook van onze gemeenschap – te laten snoeien, omwille van vruchten die blijven. Het vraagt moed om te veranderen. Het vraagt moed om ons toe te vertrouwen aan de Bron die Liefde is. Toevertrouwen én meewerken, opdat die Bron kan stromen en heilige Geest op ons zal neerdalen.
Zo zijn we onderweg naar het feest van Pinksteren, met alle onzekerheden en onrust die bij dit feest horen. We mogen ons laten inspireren door die onrust, als het tenminste over een heilige onrust gaat.