Joh. 5, 1 – 18

Petra Speelman
Lezing
Ezechiël 47: 1-12

GEROEPEN OM TE LEVEN

Mensen van God, de afbeelding laat een paneel zien uit de vroege Middeleeuwen, gemaakt bij deze passage in het Johannesevangelie. We zien Jezus, de man met zijn matras en de omstanders, op een afstand. We zoemen in, eerst op de man in het midden. Naamloos is hij. Hij heeft geen eigen identiteit, en daarmee kan deze mens iedereen zijn. Zo nodigt Johannes ons om te kijken en te luisteren. Ben ik het?

Deze mens staat, gebukt, opwaarts gericht, oog in oog met Jezus. In beweging gekomen om zijn matje op te nemen en te gaan. Onwennig wellicht om te staan, na zo lange tijd als verlamd te hebben gelegen. Wat mankeerde hem dat hij daar lag? We horen verderop in het verhaal dat Jezus hem oproept om niet meer te zondigen. Wat was zijn zonde? Het is spannend om dit verband tussen ziekte en zonde te doordenken. Het vraagt zorgvuldig verder luisteren. Naar opvattingen van die tijd, naar het getuigenis dat Johannes wil geven. Jezus heeft deze mens aangetroffen bij de badinrichting van Betzata, ookwel Bethesda. Het is een plek waar veel ellende is, waar mensen met allerlei kwalen en gebrek samenkomen in de hoop op genezing, in het water. Maar het zijn er veel, het water komt maar af en toe in beweging en wie dan het eerste erin is wordt genezen, zo wordt gezegd. Het lijkt erop dat hier de wet van de sterkste geldt, en ieder voor zich. Deze mens die daar ligt in verlamming heeft geen helper. Zoals hij zelf zegt: ik heb geen mens. Zoals de Samaritaanse vrouw zei: ’ik heb geen man’. Moederziel alleen. Van mens en God verlaten. Hij kan zelfs niet meer roepen vanuit de diepte tot de Heer. Is daar iets van zijn zonde te vinden? Dat hij zich verlaat op iets wat geen leven kan geven? Dat hij zich in een ziekmakende structuur heeft begeven en tot in zijn wezen verlamd is geraakt? Zonde gaat altijd over het missen van je doel, van je bestemming. Is hij daar de mist ingegaan? Ik heb geen mens.

Hij krijgt Jezus, maar dat dringt nog niet tot hem door. Hij gaat wel staan, maar kan hij al op eigen benen? Kan hij de verantwoordelijkheid over zijn eigen leven werkelijk opnemen? Als hij bevraagd wordt waarom hij op sabbat zijn mat draagt wijst hij naar Jezus, hij schuift de verantwoordelijkheid af: van Hem moest het. Zoals Adam de verantwoordelijkheid van zich afschoof naar Eva: zij gaf me die appel te eten… Het is blijkbaar een heel proces, om uit je verlamming op te komen, te gaan staan en werkelijk je eigen leven op te nemen. Werkelijk een andere richting te kiezen, van willen leven vanuit de Bron van leven.

De man heeft 38 jaar zijn ziekte gedragen, zo schrijft Johannes. Hij schrijft dat niet zomaar als mooi aantal. Wellicht verwijst hij naar het aantal jaren dat het volk destijds

heeft rondgetrokken voordat ze door het water van de beek konden heentrekken en het beloofde land konden ingaan. Gedurende die periode was een hele generatie gestorven. Maar nu kon het volk als nieuw, nieuw leven binnengaan. Zo geschiedt ook aan deze mens. Hij zat vast in dorheid en woestijn, hij kon niet het levende water ingaan. Maar het levende water kwam naar hem en hielp hem opstaan.

We kijken weer naar het paneel, naar de toeschouwers. Hoewel, schouwen ze echt? Ze hebben de man 38 jaar lang niet zien liggen. En nu, in plaats van zich te verheugen dat hij zijn verlamming heeft afgeworpen, wijzen ze hem terecht: hij breekt de wet van de sabbat. Ook deze toeschouwers hebben geen naam. Zijn wij het? Pijnlijk is het om te zien hoe mensen elkaar kunnen veroordelen. Zelf opgesloten in wat ze kennen, maar dat star is geworden in hun binnenste. Niets stroomt, geen liefde, geen mededogen. Ze zijn wel samen op het feest, een van de joodse feesten, ook niet bij name genoemd. Maar een feest gaat toch altijd over verbond en verbinding, tussen mensen en tussen God en mensen. Er is echter niets feestelijks in de manier waarop ze met een van hen omgaan. En ze worden ijskoud wanneer ze Jezus, ook een van hen, horen spreken. De letter van de wet tegenover de geest van de wet, die spreekt over bevrijding, over opstaan uit dood en doodsheid.

Zo krachtig in majesteit staat Jezus hier. ‘Mijn vader werkt ononderbroken en zo werk ook ik.’ Hij is naar het feest gekomen en heeft die badinrichting bezocht om ook hen die hulpeloos en verloren liggen daar bij te betrekken, te helpen wie geen helper heeft. Ook daar het feest van verbond te brengen. Hij heeft met de Samaritaanse gesproken over water van eeuwig leven. Hij is nu ook, in dit contact, zelf het levende water geworden. Vanuit zijn verbinding met de Vader, de Bron.

Het visioen van Ezechiël klinkt mee, over de stromen van levenbrengend water die uit het huis van de Ene het land bevloeien en vruchtbaar maken. Paradijselijk.

Zo staat Jezus hier, of beter nog beweegt Hij, wendt zich toe naar de mens in de knel. De maker van dit paneel geeft Hem gezag, maakt Hem groot. De evangelist Johannes vertelt zijn goede boodschap, getuigt van Jezus, die Zoon van de Vader is, barmhartig, vol mededogen. Redder van de wereld, helper voor wie geen helper heeft.

Tijdens dit feest van het verbond worden ook wij vandaag geroepen: om open te komen voor het levengevende water. Om op te staan uit onze verlamming en te gaan, Om onze verantwoordelijkheid op te nemen als mens van God. Om elkaar te behoeden en te bewaren en te wijzen naar de Bron. Dat we kunnen lachen en juichen en leven, en met ons de hele schepping.