Joh. 6, 1 – 15
- Lezing
- Deuteronomium 8, 1 – 6
Hoe te leven in het spanningsveld tussen te kort en overvloed?
Het is zomertijd, vakantietijd: tijd van terugkomen en weggaan, of wachten tot je eindelijk weg kunt gaan. Maar het is zeker geen komkommertijd: er is volop beweging in ons leven, dichtbij en verder weg. We hoorden al over de wereldwijde zorgen om de aarde en ons klimaat: het vuur, het water… Dichterbij huis waren het weken van verhuizingen, vrijdag nog het atelier. Er is hard gewerkt. En ondertussen werd Marjolein oma van Isa Maria en Jaak en Mieke ontvingen hun nieuwe kleinkindje Anna. Er is volop leven, in het spanningsveld tussen zorgen en vreugde, tussen tekort en overvloed.
In dat spanningsveld van tekort en overvloed neemt Johannes ons vandaag mee. Het begin van de broodrede lijkt een heel nieuwe episode in te zetten na de afgelopen weken. Maar ook in dit hoofdstuk gaat het over de zelfopenbaring van Jezus: wie is Hij voor de mensen van toen en voor ons nu? We hoorden zijn getuigenis over de bron waaruit Hij leeft: de Vader. Maar de joden konden dit ‘zo Vader zo Zoon’ niet verdragen, hoorden we Tineke hier vorige week verkondigen. Toch is Hij het, die de Schriften levend maakt vertelde ze ons. En dat is in mijn ogen de brug naar het verhaal van vandaag: Hij is het, die het Woord doet en Deuteronomium waarin de geboden als levenslessen worden voorgehouden, nieuw en waarachtig leven geeft. De levenslessen die het mogelijk maken om een goede samenleving op te bouwen, met leven in overvloed voor ieder mensenkind.
We horen dat het inmiddels kort voor het joodse paasfeest is. Het evangelie volgens Johannes beschrijft de drie jaren van Jezus’ openbare leven en het is dus driemaal Pesach. Pesach houdt de herinnering aan de uittocht uit Egypte levend, een feest van bevrijding. Dat is nodig om een goede samenleving op te bouwen: dat je je herinnert waar je vandaan komt en hoe de weg naar vrijheid gezocht en gegeven is. Zo hoorden we in Deuteronomium: herinner je jouw geschiedenis. Drie maal Pesach: De eerste maal is kort voor Pesach als Jezus in Jeruzalem de tempel schoonveegt. De tweede maal horen we vandaag en de derde maal is het kort voor Pesach dat Jezus het laatste avondmaal met zijn leerlingen viert. Pesach gaat over delen vanuit de overvloed van wat gegeven is. Dat is vandaag aan de orde: de leerlingen worden beproefd om te vertrouwen dat wat gegeven wordt van Godswege, voldoende zal zijn om van te leven. En in hun spoor worden ook wij beproefd in ons vertrouwen.
Jezus is overgestoken naar Galilea en daarmee laat hij de strijd met de leiders van het volk achter zich: hier is niet veel weerstand. Integendeel: een grote massa volgt hem, groeit uit tot 5000 man – en daarbij zijn vrouwen en kinderen uiteraard inbegrepen. Jezus slaat zijn ogen op, zoals Hij wel vaker doet in het evangelie: Hij ziet en wordt bewogen en handelt. Een beweging van barmhartigheid. Hij ziet de nood, het tekort. Geen hongersnood, maar nood aan leven, kwaliteit van leven. Hij wil deze mensen laten delen
in de overvloed van de bron van leven. De leerlingen, Filippus en Andreas, hebben vooral zorgen over hoe dit zal geschieden. Heel menselijk, want ik zou me ook geen raad weten met de vraag om voedsel voor 5000 man. We hebben soms als zorgen om de maaltijd voor 25 personen in onze eigen eetruimte, Jezus vraagt echt het onmogelijke van hen. Een zware beproeving, want zij hebben geen antwoord op de vraag van Jezus waarvandaan ze dit voedsel zullen halen. Dit doet me denken aan de vraag die de leerlingen in Johannes 1 stelden aan Jezus: ‘Waar houdt u verblijf?’ Een vraag naar zijn thuis, een vraag naar de bron van zijn leven. Nu draait Jezus de rollen om: weten jullie inmiddels wie ik ben, waarvandaan ik leven voor velen put? Het blijkt dat ze dit nog niet weten…
Maar dan komt er een jongen met vijf broden en twee visjes. Een kind dat erop vertrouwt dat wat gegeven is, voldoende kan zijn. Dat doet denken aan de uitspraak ‘als je niet wordt als kinderen, zal je het Koninkrijk niet binnengaan’… Vijf gerstebroden roepen de herinnering op aan de Tora en samen met de twee visjes komen we op zeven: het getal van de schepping, het getal van volheid en leven voor al schepselen op aarde. Iedereen moet gaan zitten – ‘aanliggen’ staat er. Zoals bij het laatste avondmaal bij de voetwassing: ze worden genodigd om zich toe te vertrouwen aan deze tafeldienaar, die de dienaar der dienaren is. En zitten heeft ook altijd te maken met onderricht: alle aanwezigen worden uitgenodigd tot een luisterende houding, studeren vraagt om rust en aandacht. Iedereen kan hier iets van leren. Zo gaat Jezus hen voor in danken, breken en delen van de overvloed van leven en liefde. Zo dient Hij het volk. Want een overvloed is het: twaalf manden zijn er over. Genoeg voor alle stammen van Israël, genoeg voor alle mensen tot aan de uiteinden van de wereld.
Ook wij leven in het spanningsveld tussen zorgen en vertrouwen, tussen tekort en overvloed. Johannes leert ons vandaag dat het er niet om gaat wat wij wel of niet hebben, maar hoe wij omgaan met wat ons is gegeven: de aarde, ons dagelijks brood. Deuteronomium is als een kompas, dat ons de weg wijst in dit ‘hoe’. In Jezus zien wij wat er kan gebeuren als wij oog hebben voor de nood, als wij ons hart openen voor het tekort en daarin danken voor wat ons gegeven is en dit breken en delen. De mensen herkenden in Jezus de profeet, maar Hij voorzag dat ze hem tot koning wilden maken om te behouden wat Hij hen gegeven had. Laten wij oog en oor openhouden voor de profetische stem, maar niemand tot koning kronen, niemand als verantwoordelijke aanwijzen voor ons eigen goede leven. We zijn immers samen verantwoordelijk voor ‘leven in overvloed voor velen’! Als wij in onze tijd het Woord doen, maken we het verschil tussen ‘ieder voor zich’ en ‘samenleven’ omwille van de toekomst. Ook vandaag ontvangen we in de tekenen van Brood en Wijn het voedsel dat ons zal bemoedigen, om dit verschil te leren maken.