Joh. 6, 22 – 29
- Lezing
- 1 Koningen 17, 8 - 16
LEERSCHOOL VAN GELOOF
Mensen van God,
Daar gaan ze, in hun bootjes. Over het water, op zoek naar Jezus. Ze hebben meegemaakt hoe Hij die grote menigte te eten heeft gegeven met zo weinig, brood en vis. Hij had God gedankt en ze hadden gedeeld wat er was… Er was zelfs overgebleven. Een bijzondere, wonderlijke gebeurtenis. Ze willen meer van Hem horen en zien. Zijn leerlingen zijn vertrokken, en in de nacht is hij blijkbaar ook weggegaan. Ze gaan, over het water, naar de plaats waar hij verblijft, Kafarnaum.
Mensen in bootjes. Het verkleinwoord dat hier in het Grieks wordt gebruikt bracht in mij opnieuw al die andere mensen in bootjes voor ogen. Tot in onze tijd. Ook op zoek. Naar nieuw leven, weg uit wat geen toekomst heeft. Op de vlucht, uit een doodmakende situatie. Naar nieuw bestaan, voor zichzelf, voor hun kinderen. Alles wagen, niets te verliezen, enorme levensdrift. In beweging gekomen, omdat ze zijn aangeraakt door hoop en verlangen. Een verlangen van alle tijden.
We keren terug naar die oever van dat grote meer in Galilea. Ben ik ook ingestapt, en jij? Op enig moment in je leven op zoek, naar Jezus, naar iemand die richting geeft aan je leven, in de hoop dat het anders wordt, anders kan. Dat het leven weer gaat stromen. Aan land gekomen, is Hij daar. Meteen neemt Hij hen en ons mee, in de leerschool van geloof. Prachtig woord. Leerschool, er klinkt groei en ontwikkeling. Toen ik jaren geleden kennis maakte met deze gemeenschap kwam ik in die bedding: in de school van geloof.
De mensen beginnen met een vraag: Rabbi, wanneer ben je hier aangekomen? Zou dat ook mijn eerste vraag zijn, wanneer ik Hem zie? De evangelist Johannes duidt dit plotselinge verdwijnen en hier verschijnen als een teken van wie Jezus is. Net als bij die wonderbare broodvermenigvuldiging, bij het gaan van Jezus over het water van de zee, neemt hij ons in deze vraag weer bij de hand en zegt: Kijk, zie, geloof, dit is de Mensenzoon.
Jezus geeft geen antwoord. Hij heeft een eigen insteek. Hij onderzoekt de beweegredenen van die zoekers: wat maakt dat je gekomen bent, dat je in beweging bent gekomen? Waarnaar ben je ten diepste op zoek? Wordt je gedreven omdat je verzadigd bent, een volle maag hebt? Natuurlijk je eerste levensbehoefte, eten en drinken, een dak boven je hoofd en veiligheid. Maar dan? Wat geeft werkelijk leven? Hij wijst de richting: je kunt beter werk maken van voedsel dat blijft. Voedsel voor je ziel, dat duurzaam is, echt leven geeft, eeuwigheidsleven. Dat wil zeggen: kwaliteit van leven.
Daar moet je je voor inzetten, om dat te op het spoor te komen. En weet je, zo gaat Hij verder: ‘de Mensenzoon zal het je geven, want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt’. Een krachtige belofte. Het zal je gegeven worden, dat nieuwe leven, die volheid, overvloed.
De mensen hebben opnieuw een vraag: Wat moeten we dan doen? Hoe doen we wat God wil? Gaat het om goede werken, handen uit de mouwen, iets… ik ben opgegroeid in een kerkelijke sfeer van activisme, van maatschappelijk engagement vanuit je geloof,. Opnieuw een begrijpelijke vraag, in hun en mijn, ons verlangen om te leren, om bij Hem te komen. Om te verstaan wat hij zegt. Om dat nieuwe leven te kunnen pakken. Misschien gaat het juist daar mis, in dat willen pakken. Wat je moet doen, zegt Jezus, wat die leerschool van geloof is, is geloven, je toevertrouwen. Geloven in Hem die God gezonden heeft. Jezus verkondigt niet alleen het heil, hij is er de belichaming van. Hij is het Brood om van te leven. We zullen er in de komende weken nog verder over horen, dit leergesprek. Vertrouwen op Jezus, geloven in Hem die de weg gaat van de liefde, tot het einde toe. Die door dood en dorheid heen nieuw leven schept. Zo getuigt Johannes in zijn gemeente die alles rondom Jezus’ lijden, dood en verrijzenis heeft meegemaakt, doorleefd. Die zelf leeft in verdrukking en uitziet naar bevrijding. Zo getuigt Johannes voor alle mensen die op zoek zijn, in beweging gekomen, een weg om te gaan, uit hun dorheid en droogte van leven. Geloof in Jezus. Richt je hart naar Hem. Dan ontvang je leven, brood, liefde. Dan komt God zichtbaar.
Dat is eigenlijk voorbij het ‘doen’, het ‘werken’. Het werk is in jezelf, om je handen te openen en te durven ontvangen wat dan op je toekomt.
Dat proces gebeurt in Elia en in de weduwe in Sarefat. Elia is in een vreemd land, in een pittige situatie van dorheid, letterlijk. En van onveiligheid ook. Hij is veilig bij God, die hem woorden in de mond legt. Hij roept de weduwe. Ook een onveilige onzekere positie in die tijd. Elia roept. Wajikra, staat in het Hebreeuws. Dat is hetzelfde woord waarmee het boek Leviticus begint, dat gaat over regels en voorschriften zowel voor de eredienst als ook voor het omgaan met vreemden, weduwen en wezen… De dienst aan God en de dienst aan de kwetsbare mens in 1 beweging. Daartoe roept nu Elia. Het wonder is dat de vrouw zijn woord kan ontvangen, in haar benader situatie toch openkomt, zich toevertrouwt aan het woord van God, door de profeet gesproken. In die Godsnaam kan zij delen van wat ze heeft, en is er voldoende, is er leven, toekomst.
In de leerschool van geloof klinkt de vraag: waarnaar ben je op zoek? Jezus nodigt uit om mijn, om jouw verlangen kenbaar te maken. Verlangen naar leven, voor jezelf, in verbondenheid met de ander. En altijd in verbinding met de Ander met een hoofdletter, zoals Hij zelf leeft van die verbinding.
Klinkt de aanmoediging om werk te maken van voedsel dat duurzaam is. Om me te richten naar Hem, het Brood om van te leven. En Hij geeft het om niet. Mogen we ons verheugen in die belofte.