Joh. 11, 1 – 16

Tineke Renkema
Lezing
Klaagliederen 3 : 22-32

Gods tijd is de allerbeste tijd

Het begin van een groot verhaal, dit verhaal over Lazarus, midden in het evangelie van Johannes. Het raakt dus aan de kern. Het gaat niet om een wonder, niet over reanimatie, maar om openbaring! Openbaring van wie en waartoe Jezus is. Want aan Lazarus gebeurt, is een voorbode van de weg die Jezus zelf zal gaan. En zo gaat Hij ook ons voor: Een steeds terugkerende dynamiek, als een golfbeweging : Leven, door die diepte gaan, opstaan en Leven!

Aan het einde van het vorige hoofdstuk

vinden we Jezus aan de overkant van de Jordaan,

daar waar Johannes eertijds doopte.

Er zijn velen die daar in Jezus gaan geloven.

Waarom zou hij weggaan van deze plaats

waar zijn leven zo vruchtbaar blijkt?

Toch laat hij zich roepen naar Betanië in Juda. En Betanië betekent: Huis van verdriet. En: Er is verdriet in dat huis van Maria, Martha en Lazarus, dat huis wat voor Jezus een thuis werd. Daar waste Maria hem de voeten, dat zo intieme gebaar van liefde En liefde ís daar in dat huis.

Nu is er grote bezorgdheid: Lazarus is ziek.

Daarom, omwille van hem, laat Jezus zich wegroepen.

Gevaarlijk? Ja!

De leerlingen van Jezus wijzen hem erop:

In Judea zullen de joden U toch willen stenigen?

En toch: Hij gaat!

Hij laat zich niet weerhouden.

Omwille van de liefde, omwille van Leven!

Wie is Lazarus, eigenlijk?

Hij is broer en een vriend

Hij zegt geen woord.

Veelzeggend?

Is zijn leven zo ‘ingewikkeld’

dat hij uiteindelijk is als een dode

steeds meer afgesloten, onbereikbaar geworden,

begraven achter een steen?

Kan het leven zo gaan?

Ja zo kan het gaan!

Het is om te huilen.

want zó is het leven niet bedoeld.

De naam Lazarus betekent : God helpt!

Is dat hoe hij bedoeld is?

Dat door hem heen zichtbaar wordt, dat God helpt?

Kan het leven zo gaan? Ja, zo kan het gaan!

Maar: Niemand kan zichzelf redden.

Jezus wordt geroepen. Nou ja, geroepen?

Hem wordt meegedeeld dat zijn vriend ziek is.

Geen vraag maar een klacht,

zoals in Klaagliederen wordt geklaagd,

stem wordt gegeven aan wat sprakeloze mensen overkomt.

Het gaat om klagen dat een appèl in zich draagt.

En juist dát appèl-karakter maakt

dat klagen onderscheiden kan worden van zeuren.

In deze Klaagliederen, we hoorden het vandaag,

klinkt er midden in dat klagen, die stem van de hoop,

Die stem van het : En toch!

We lazen ook niet voor niets dit gedeelte uit Klaagliederen

in combinatie met wat er met Lazarus gebeurt.

Jezus wordt geroepen, maar wacht! Hij gaat, tegen de verwachting in, niet onmiddellijk naar dat ‘huis van verdriet’. Hij wacht! Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zegt hij. Doorleeft hij, door dit gebeuren met Lazarus, de weg die hij zelf zal gaan? Dat zijn eigen leven niet uit zal lopen op de dood, maar op leven, op de eer van God? En dat het juist daarom gaat! Om die eer!

Dat het mogelijk is in de diepte de naam van God, die naam van de Mensenzoon, te bewaren? Dat het mogelijk is, dat die naam juist oplicht, als alles donker is. Veel meer nog dan als de dag helder is en klaar!

Is het daarom dat Jezus wacht om naar Betanië te gaan.

Pas na twee dagen, gaat hij: de 3de dag.

Niet op eigen tijd, gaat hij, maar op Gods tijd.

Gods tijd is de allerbeste tijd.

Want: Lazarus moet door de diepte gaan,

wil hij weggeroepen kunnen worden uit een on-leven,

wil hij kunnen opstaan tot nieuw leven,

tot een leven in verbinding, Verbond.

Door de diepte gaan om te horen de stem

die hem naar buiten zal roepen.

Zo is Lazarus bestemd!.

Zijn naam getuigt ervan: God helpt

Hij kan zichzelf niet redden.

Jezus wacht.

Hij zet zijn eigen leven op het spel,

want in Judea wachten de mensen

om hem ter dood te brengen.

Maar hij wijkt er niet voor terug.

Hij zal óok niet wijken,

niet terugvallen op zichzelf,

als hij de weg door diepte gaat.

Hij zal in verbinding blijven met het licht van God

dat hij in zich draagt.

Zo eert hij God.

Jezus wacht

Gods tijd is de allerbeste tijd!

Opdat de leerlingen zullen geloven

opdat wij zullen geloven:

dat het de ander is die ons bevrijdt,

die ons redt uit onszelf, uit onze ikkigheid.

Dat het alleen de ander is,

die mij doet weten wie ik ben.

Zo zijn wij bedoeld

Zo gaat de Mensenzoon ons voor.

Zo eren wij God.

Zo is ons samenleven bedoeld. Daartoe zijn wij deze zoek- oefen- en vindplaats Mag het zo zijn.