Luc. 10, 25 – 37
- Lezing
- Deuteronomium 30: 10 -14
Een overbekende verhaal
Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven? Het is de vraag van een wetgeleerde, die opstaat om Jezus op de proef te stellen, maar het is hem er waarschijnlijk niet om te doen zich aan het antwoord iets gelegen te laten liggen. Maar ontdaan van die bedoeling om Jezus te testen, is het een mooie vraag! Want die vraag om deel te krijgen aan het eeuwige leven duidt erop, dat je geen genoegen wil nemen met een ‘het gaat wel’ leven, maar wil leven zoals God jou heeft bestemd, een leven wat er toe doet, in Gods ogen, in eigen ogen. De vraag ‘wat moet ik doen’ iets wat wordt opgelegd is niet zonder risico. Wees niet verbaasd als het antwoord confronterend is. We zitten al fout, als we het accent leggen op ‘moeten’ als uiterlijke plicht, als opgelegd. Dan gaat het verlangen om een leven te leven met eeuwigheidswaarde ondergronds. In de vraag ‘wat moet ik doen’ gaat het om het ‘doen’.
De wetgeleerde stelt dus zijn vraag. En omdat hij Jezus daarmee op de proef wil stellen, geeft Jezus hem geen rechtstreeks antwoord. In plaats daarvan draait Jezus de rollen om. Hij toetst de wetgeleerde met een tegenvraag: Wat zegt de Thora hierover? En de wetgeleerde weet het, natuurlijk weet hij het. Natuurlijk weet ik het: God liefhebben en de naaste als uzelf! Maar is het een weten van het hart? Het gaat om een beweging van binnen uit die leidt tot handelen. Doe dat en je zult leven, zegt Jezus. Ja maar, horen we de wetgeleerde zeggen. ‘Ja maar’ dat klinkt ons vast niet onbekend in de oren, als we ergens geen raad mee weten. Ja maar! Ja maar : Wie is mijn naaste? Alles en iedereen die op mijn weg komt, te allen tijde, elk uur?
Jezus weet : Beter dan een antwoord, een uitleg, is een verhaal, een gelijkenis, waarbij het aan de vraagsteller zelf is, aan ons is, om in die spiegel te willen kijken. Er was eens iemand, zomaar iemand dus, (jij of ik) die afdaalde van Jeruzalem naar Jericho: steile weg, gevaarlijk, ook vanwege het risico om beroofd te worden van wat niet al. Stellen we het ons voor: Zomaar iemand gaat een weg en die weg is niet zonder risico. Dat blijkt: hij wordt aangevallen. Zomaar iemand niet meer in staat om op te staan, helemaal aan de grond. Er zijn mensen die langskomen. De eerste twee zijn mensen van religie doortrokken. Ze zijn niet zomaar iemand. Ze hebben weet van de wet: ‘Van God liefhebben en de naaste als uzelf’. Zij zien die mens, die aan de grond zit en gaan met een grote boog om hem heen. De priester en leviet zien! Ja zeker ze zien, en toch… En toch : Ze laten zich niet onderbreken.
Ze hebben wellicht hun eigen redenen. Wij hebben onze redenen: - stel dat het je eveneens overkomt dat je aangevallen wordt op die weg die je gaat. Dat is immers gebleken? - stel dat je veel te laat komt op een uiterst belangrijke afspraak. - stel dat je juist zo toe bent aan even ontspanning, want je hebt al zovee.l gegeven En misschien wel het meest belangrijke en onderliggende:
- stel dat je meegetrokken wordt in die afgrondelijkheid van deze mens en daar dan niet meer van loskomt.
In de gelijkenis, die Jezus vertelt is er een 3de die voorbijkomt, ook zomaar iemand, op wie zelfs neergekeken wordt, een Samaritaan. Hij weet wat het is, als mensen je links laten liggen. Hij weet wat het gekwetst te worden, verwond te raken. Hij laat zijn oog rusten op die man die daar meer dood dan levend ligt. Hij ziet hem niet alleen. Hij laat zich onderbreken, omgeeft hem. Hij doet alles wat nodig is, om weer te doen opstaan.
Ik weet niet hoe het bij jullie is, maar als ik dit verhaal voor me zie, heb ik over mijzelf het oordeel al klaar. Hoe vaak ga ik niet voorbij? Hoe vaak laat ik me niet onderbreken. Het tekort is groot. En als ik zie hoe een ander zorg draagt, is er niet alleen het tekort, maar ook de schuldgevoelens. Ik val als het ware helemaal terug in mijzelf: Geen verbinding, geen uitstaan naar Verbond.
En dan vraagt Jezus: Wie van deze drie mensen is naaste geworden van de man, die niet meer in staat was zichzelf te redden? De wetgeleerde weet het: De man die bewogen werd om die verwonde man langs de kant van de weg. Langzaam begint het me te dagen: Jezus vraagt niet: Wie is je naaste, maar wie is naaste geworden? Het gaat dus niet om de ander die mijn naaste is, en die ik moet, ja moet helpen. Het gaat om de ander door wie ik bewogen word. De ander maakt mij tot naaste. De ander die mij openbreekt en mij tot barmhartige maakt. Het gaat dus om de weg te gaan van ‘Ik moet’ naar ’ik word bewogen’
En wat dan, wat als mijn hart is versteend? Dat vraagt om te leren mij allereerst te openen voor de bewogenheid van de ander om mij, om mijzelf te openen voor Gods bewogenheid. Anders verworden we tot ‘moeten’, tot het louter doen van onze plicht. En dan gaat de liefde ondergronds. Jezus gaat ons voor op die weg. Hij is Gods zoon geworden, omdat hij Gods bewogenheid als geen ander wist te ontvangen. Zo werd hijzelf naaste, om ons bewogen. Hijzelf is de barmhartige Samaritaan.
Ja, in hem en door hem zijn de geboden heel dichtbij ons, we kunnen ze in ons opnemen en ze ons eigen maken. We kunnen ze volbrengen. Ontvang wat je bent om te kunnen worden wat je ontvangt.
Mag het zo zijn!