Luc. 12, 49 – 53
- Lezing
- Jeremia 38 : 3 -10
Woorden van vuur
Heftige woorden vandaag! Woorden van vuur, zowel in het Oude als Nieuwe Testament. Eerst horen we de profeet Jeremia. Van hem weten we dat hij geroepen werd om koninkrijken uit te rukken en te verwoesten; te vernietigen en af te breken; om dan op te bouwen en te planten. Heftige woorden: Er moet heel wat afgebroken worden, wil dat rijk van God opgebouwd kunnen worden. Daartoe is deze Jeremia geroepen. Om zich staande te kunnen houden tegenover de koningen van Juda, haar priesters, het volk, maakt God Jeremia tot een onneembare stad, een ijzeren zuil, een bronzen muur.
Want : Jeremia’s boodschap is een pijnlijke: Het rijk van Juda zal worden bezet door Babylonië; de tempel zal worden verwoest. De leiders van het volk willen deze boodschap van de profeet niet horen. Deze profeet moet de mond worden gesnoerd. Ze zoeken hem te doden. Ze gooien hem in een put, in de diepte. De koning grijpt niet in. Hij houdt zich afzijdig. Maar hier en daar zijn mensen: Jeremia wordt gered om zijn woorden te blijven spreken, hoe verdrietig hijzelf ook is deze pijnlijke boodschap te moeten brengen (zoals Jezus later zal huilen om Jeruzalem, als hij de ondergang van deze stad voorzegt). Maar Jeremia kan niet anders, wil hij zijn roeping trouw blijven: Er moet worden afgebroken, wil er kunnen worden opgebouwd.
De profeet Jeremia een voorafschaduwing van Jezus? We hoorden een paar weken geleden, dat de Mensenzoon met een vastberaden, met een hard gezicht onderweg is. Onderweg met zijn leerlingen naar Jeruzalem: dat centrum van religieus leven. Deze stad van oudsher bestemd, bedoeld om stad van vrede te zijn. Ook bij de Mensenzoon horen we vandaag, dat wil er opgebouwd kunnen worden, dat dat niet anders kan dan door afbraak heen. Zijn woorden liegen er niet om.
Gekomen is hij om een vuur te ontsteken: een vurig verlangen naar Gods koninkrijk. Een vuur dat brandt en uitzuivert! Een scheidslijn trekt tussen goed en kwaad, recht en onrecht, barmhartigheid en onbewogenheid. Zonder dat heilig vuur komt dat rijk er niet. In Jezus brandt dat vuur. En hij verlangt dat het in zijn leerlingen brandt. Hij verlangt ernaar dat het in ons als gemeenschap brandt. In mij!
Maar dat kost wat, nee, dat kost niet wát; Dat vraagt alles! Dat vraagt overgave, dat vraagt zelfgave. Dat vraagt je leven op het spel zetten. Jezus ziet het voor zich: een doop ondergaan, pijn, verdriet, dood. Er niet langs, maar er doorheen. En daar doorheen toch
bij het geliefd zijn blijven, tot het is volbracht. Tot het is volbracht om op te kunnen staan tot een nieuw leven.
Maar zijn woord is toch vrede? Ja zeker, maar er moet afgebroken worden, wil er kunnen worden opgebouwd. Gaande de weg met zijn leerlingen wordt het steeds duidelijker. Het vuur dat in hem brandt roept geen vrede op. Integendeel! Hoe kan dat toch? Hoe kan zoveel liefde, zoveel weerstand oproepen? Hoe kunnen zijn woorden, zijn doen en laten zoveel verdeeldheid te weeg brengen. Een verdeeldheid zo groot dat het verschil tussen de een en de ander niet kan worden overbrugd. Een verdeeldheid zo groot dat er geen verbinding meer mogelijk is. Zo groot dat het niet komt tot een Verbond.
Hoe kan dat toch, dat terwijl in de Mensenzoon Gods rijk zichtbaar wordt, er zoveel verdeeldheid ontstaat? Is het omdat van zijn woorden, van heel zijn manier van doen, een dusdanig appèl uitgaat, dat alles aan het licht wordt gebracht: goed én kwaad? En dat wij mensen dat zo moeilijk verdragen?
Wat Jezus meemaakt is dat mensen zich van hem afkeren, zich verzetten. En dat, als de angst te groot is, zij de aanval kiezen als beste manier om zich te verdedigen. Mensen, die zich verzetten, omdat ze geconfronteerd worden met zichzelf. Die zich verzetten omdat ze geconfronteerd met geloof, dat louter en alleen houvast is. Zich verzetten omdat ze het niet wagen de liefde te vertrouwen. Wij, die ons verzetten, omdat we het verschil niet als uitdaging beschouwen maar als een aantasting van eigen gelijk. Omdat we het appèl dat van de ander uitgaat beleven als bedreiging van het eigen ik in plaats van een oproep om samen de weg te gaan.
Als Jezus spreekt over de verdeeldheid spreekt hij over de realiteit, ook de onze. Want het is maar de vraag of ik, oog in oog met hem, het aandurf het vuur dat in hem brandt op mij te laten overslaan. Of ik me laat uitzuiveren door dat vuur. Of ik mijn ik op het spel durf te zetten. Het is de vraag of ik het aandurf in de ontmoeting met hem mijzelf onder ogen te komen. Ik heb immers gezichten meer dan twee. Als ik oog in oog met hem zo wordt ontmaskerd, waag ik het dan te vertrouwen dat dat is om mij te vinden? Dat er in mij afgebroken moet worden om te kunnen worden opgebouwd?
Dat vraagt een relatie met Hem onderhouden, steeds weer een innerlijk gesprek met Hem, in de diepte van mijzelf, waar Hij aanwezig is en mij laten uitzuiveren. En zoiets horen als : Wees niet bang. Je kunt mij vertrouwen. Ik heb jou op ’t oog. Dit geldt ook voor ons zoals wij hier nu zitten, als broeders en zusters. Voor ons als gemeenschap, zoals die is. Die op het spel durven zetten! Dat wil zeggen: Afbreken, loslaten, wat is versteend, haar zeggingskracht heeft verloren, om op te bouwen dat wat het vuur doet branden, het leven doet stromen. Dat vraagt dat wij als deze gemeenschap de uitzuiverende werking van zijn Heilige Geest toelaten. Die Heilige Geest die soms zo pijnlijk kan ontwrichten omwille van Leven.
Mag die Geest onder ons zijn werk doen omwille van dat vuur waarvan Jezus zo graag wil dat het brandt.
Mag het zo zijn.