Mat. 24, 37 – 44
- Lezing
- Jesaja 2, 1-5
Vrede opdelven
Op het gebouw van de Verenigde Naties in New York staat sinds 1948 een gedeelte van de profetie van Jesaja, die we zojuist hoorden. Een moedige en misschien ook wel noodzakelijke keuze in de context van die tijd. Moedig, omdat de tweede wereldoorlog nog maar net voor bij was en noodzakelijk, omdat het een keuze was die de hoop levend houdt. Geen oorlog meer leren, vrede zal zijn. Als de wereld een puinhoop is – en dat was het in de tijd van Jesaja, in 1948 en ook nu in onze dagen is het zo – hebben we profeten nodig. In alle tijden dus. Want wij kunnen het niet aan, die puinhoop, dat zongen we op deze eerste zondag van de Advent. De symboliek in ons midden verbeeldt dit voor mij: de puinhoop van stenen is onze realiteit, maar dat eerste lichtje geeft uitzicht op de komst van Gods toekomst in de Mensenzoon. We mogen verwachten!
Het visioen van Jesaja staat ook bij Micha. Jeruzalem zal weer het centrum zijn voor Sion, het joodse volk, maar ook voor de hele wereld. Een visioen dat getuigt van Gods trouw, ook als de wereld een puinhoop is. Een visioen dat ons voor de vraag zet: hoe wakker leven wij, hoe wakker leef ik met de droom van Gods toekomst? Een vraag die de noodzaak laat voelen om het verlangen naar die toekomst op te delven. Want natuurlijk verlangen wij naar vrede, wereldwijd. Maar hoe blijven we geloven in Gods trouw, als die vrede uitblijft? Hoop is het voertuig om te blijven vertrouwen. Want geloof en liefde zijn de sterke krachten waarmee wij leven, maar het kleine meisje van de hoop, dat kwetsbare vlammetje, houdt haar ‘grote zussen’ vast en trekt ze meer op de weg naar Gods toekomst. Een prachtig beeld om de Advent mee te beginnen.
Dat kleine meisje van de hoop kreeg met de geboorte van Jezus Christus een nieuw elan: een begin van vrede en gerechtigheid werd in hem ervaren. Maar na Pasen zochten de eerste christenen naar houvast en die vonden ze in de verwachting van zijn wederkomst. Ze wisten zeker dat Gods toekomst zou doorbreken, maar ze wisten niet wanneer. Ze zochten naar tekenen in de tijd en in de wereld. Voor Marcus was de vernietiging van de tempel een teken, voor Matteüs is de wederkomst van Jezus het teken. Matteüs is er zeker van dat Jezus zal wederkomen, hij is zeker van Gods trouw, maar hij weet niet wanneer. Die onzekerheid over het tijdstip groeit, naarmate de terugkeer uitblijft. Bij Matteüs staat drie maal ‘niet weten’ en hierbij speelt een associatie met de dagen van Noach.
Want wij doen wat we moeten doen. Zoals in die dagen. We eten en drinken, we werken, we huwen of leven alleen. We werken hard en dat is allemaal goed. Maar als wij opgaan in de dingen die we doen en die gedaan moeten worden, dan gaat er iets mis. Dan zijn we niet wakker voor Gods toekomst, voor wie of wat op ons toekomt. Dan zit ik in mijn eigen bubbel en word ik achtergelaten in mijn eigen kleinmenselijkheid. Daar gebeurt het oordeel: als ik niet wakker leef en vol verwachting ben, ga ik dicht. Maar wie wakker
leeft, wordt meegenomen in de toekomst van God. Zoals Noach meemocht in de ark: hij leefde wakker en voorbereid, was ervan overtuigd dat de aarde en alles wat leeft toekomst moest ontvangen. En dit wakkere leven is een levenshouding die toekomst opent. Dit wakkere verwachten is leven met een visioen. Dat is hongeren en dorsten naar vrede en gerechtigheid, omdat niet alle mensen in vrede en gerechtigheid kunnen leven. Tot die dag dat het wel zo is, moeten wij blijven uitzien naar Gods toekomst en er naar vermogen aan meewerken.
Onze doortocht, persoonlijk en gezamenlijk, vraagt om wakker leven, om verwachten van toekomst. Mag daarin het visioen doorklinken dat we meewerken aan Gods toekomst, aan Gods vrede? Dat is een spannende vraag, want we willen ook bescheiden zijn. Maar toch is het van belang dat het in alles wat wij doen en hoe we de dingen doen het niet om mijn bubbel blijft draaien, evenmin om een Hooge Berkt bubbel. Juist daarom is mijn bereidheid om meegenomen te worden cruciaal: mij mee laten nemen in een toekomst die ik niet ken. Er is ruimte nodig voor niet-weten. Iedereen is druk, in de tijd van Noach en ook in onze dagen. Juist daarom komt het aan op mijn innerlijke levenshouding: ben ik in alles wat er moet gebeuren open voor het onverwachte, voor wat ik niet weet?
Bij het meenemen van een steen, na het ontvangen van brood en wijn, dragen we bij aan de hoop. We ruimen iets van de puinhoop op: de bron vrijmaken is een innerlijk én een wereldwijd proces. Etty Hillesum heeft het bijzonder goed verwoord in haar dagboek:
Binnen in me zit een hele diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Vaak ligt er stenen en gruis voor de put. Dan is God begraven. Als ik dan mijn hoofd in mijn handen verberg dan ervaar ik dat God binnen in mij is. En dan zeg ik: ruim het puin uit je leven en dan komt God weer tevoorschijn.
De bron van leven vrijmaken zal ons de kracht geven om de weg naar vrede te gaan. Vrede zelf is de weg.