Joh. 4, 5 – 26
- Lezing
- Ex. 17, 1 - 7
Aanbidden in geest en waarheid, ongeacht plaats of volk.
Mozes vraagt het volk: ‘Waarom doet u mij verwijten, waarom daagt U de Enige uit?’ Ik antwoord hem: ‘Omdat wij beperkte mensen zijn, onvolmaakt. Afhankelijk van hulp van buiten en van boven. Daarom! Wij hebben dorst en willen overleven, maar zien geen mogelijkheden meer.’
Mozes op zijn beurt, klaagt evengoed. Hij weet ook niet hoe het verder moet. Hij is óók een beperkt mens, die risico loopt zijn leven te verliezen. Zijn zorg is nog niet om van dorst om te komen, maar r het volk staat op het punt hem te stenigen. Toch lag erbij Mozes een andere zorg onder; een zorg óm het volk. Hij zegt niet: ‘Hoe word ik gered uit deze dreigende lynchpartij?’ Maar: ‘Wat moet ik toch aan met dit volk?’ M.a.w.: hij geeft zijn missie niet op en blijft op zoek naar een oplossing omwille van zijn volk. In tegenstelling tot het volk zelf, dat de uittocht wél ter discussie stelde: ‘Waaróm zijn wij weggevoerd?’ Het antwoord dat Mozes krijgt is, om het volk het wonder van de uittocht weer in herinnering te brengen: ‘Ga voorop als leider, samen met enkele oudsten. Neem de staf die je gebruikte bij de doortocht door de Nijl. En ga doen wat ik je opdraag.’ Hoe onwaarschijnlijk die ingegeven opdracht ook klonk, Mozes luisterde en handelde ernaar. En er kwam water voor het volk.
Zo gingen zij verder op onbekende, ongewone, ongebruikelijke wegen.
In hoeverre ben ik in staat om me open te stellen voor wat onbekend is? Ongewoon? Búiten mijn paden te treden. Die al hun nut bewezen hebben! Die ik soms ook heb moeten banen, met inzet en moeite! Waarom zou ik dat loslaten voor iets onbekends? Waarom? Of: wanneer? Als mijn paden niet meer toereikend zijn. Mij niet meer vervullen met voldoening, met zin. Dan ga ik dorsten naar iets nieuws; open ik mij daarvoor. En naarmate de nood hoger is ben ik ontvankelijker.
Het Exodusvolk had grote redenen om weg te trekken, zij leefden in onderdrukking.
De Samaritaanse vrouw had ook nood. Zij was vanwege al haar mannen, buitengesloten door haar gemeenschap. Daarom kwam zij op het 6e uur, op het heetst van de dag water putten, om niemand te hoeven treffen bij die drukbezochte put. Zij leefde als een paria.
In beide verhalen zijn de leefomstandigheden dus benard.
Waarna in beide verhalen gebruikelijke patronen worden doorbroken. Mozes krijgt ingegeven om water uit een steen te slaan. En in het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse, worden meerdere grenzen geslecht. Alleen al het feit dat Jezus deze vrouw aanspreekt. Ongebruikelijk? Misschien zelfs ongehoord. Jezus overschrijdt een regel. Hij gaat nog veel verder en in het gesprek lijken ze aanvankelijk langs elkaar heen te praten. Maar door beider vasthoudendheid, ontstaat er steeds meer contact en wordt er heel veel uitgewisseld.
Ik beperk mij tot de dorst van de vrouw. Want hoewel het contact begon met Jezus’ vraag aan haar, om water voor hem te putten, draait het gesprek erop uit, dat Jezus háár de weg wijst naar water waarmee haar dorst voorgoed gelest kan worden. Zij had fysiek geen dorst. Zij wist de put te vinden en maakte daar gebruik van. Maar verlangde ze naar een ander leven. Ze moest elke dag opnieuw naar die put, zonder dat die haar echt leven gaf. Een put wordt door mensenhanden gegraven; het is mensenwerk, het is behelpen.
Een bron ís er; hij moet wel ontdekt worden, of iemand wijst je de weg erheen. Jezus wijst deze vrouw de weg erheen. Eenmaal bij die bron uitgekomen, hoef je geen dorst meer te lijden. Sterker nog: het water dat je ervan drinkt, zal zélf een bron in je worden opborrelend tot eeuwig leven.
De bron die eeuwig leven schenkt; het roept de Godsnaam op: ik zal er zijn, Ik die ben. Ik stroom. Overal, altijd. Los van plaats of volk.
Het Exodusvolk leerde er met vallen en opstaan op te vertrouwen. De Samaritaanse nam het met beide handen aan. Wij krijgen deze bron vandaag aangewezen. Mag die in ons en tussen ons in steeds weer opnieuw worden ontdekt en stromen, omwille van de wereld die zo dorst naar bronnen die blijvend zijn en niet opdrogen.