Lc. 2, 16 – 21

Annet van Straaten
Lezing
Numeri 6, 22 - 27

DE ZEGEN LEVEND HOUDEN

Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar bij de zegen die zojuist werd voorgelezen, ligt voor mij altijd de aandacht bij de woorden van de zegen zelf. De vraag die zich nu bij de voorbereiding aan mij opdrong was: heeft Mozes deze boodschap aan Aaron overgebracht? En: heeft Aaron en zijn zonen de Israëlieten met deze woorden gezegend? Weten we dat? De God van Israël sprak over meerdere schijven: eerst tot Mozes en daarna moest Hij nóg een horde nemen; meerderen zelfs, want het ging niet alleen van Mozes tot Aaron, maar ook tot diens zonen.

Zo afhankelijk is God van mensen! Wordt zijn zegen overgebracht? En: zoals in het laatste vers: wordt zijn Naam over het volk van Israël uitgesproken? Want dan, en dan alleen, zullen de Israëlieten gezegend worden, aldus Numeri. En niet wanneer Aaron en zijn zonen de zegen zouden uitspreken zónder de Naam van hun Heer. Want dan zouden ze spreken uit hun eigen naam, namens zichzelf. Dan zou Gods zegen niet doorkomen.

We mogen ervan uitgaan, dat Mozes, zowel als Aaron en zijn zonen, deze zegen namens God hebben uitgesproken. Anders zou die niet tot hiertoe zijn overgeleverd. Maar toch blijft het een precair gebeuren: kwetsbaar. Hoe vaak zal het níet namens de Heer zijn gebeurd? Hoe vaak zal het volk niet echt geluisterd hebben? Het mag een wonder heten, dat de zegen nog steeds bestaat. En we hebben ‘em zo hard nodig!

Zegenen. Het is méér dan toewensen. Wensen is vanuit jezelf hoop uitspreken op het goede. Zegenen gebeurt niet vanuit jezelf. Bij een zegen is er altijd meer in het spel. Of het nu een moeder betreft die een kruisje op het voorhoofd van haar kind maakt, dat gaat slapen. Of een reis waar de zegen over wordt uitgesproken. Het overstijgt de persoonlijke wens, het betreft het betrekken van God, nee, het onszelf toewenden naar God; diens aanwezigheid vragen bij een situatie, een gebeurtenis, een nieuwe fase. Wat is er nu mooier dan zo’n zegen te ontvangen aan het begin van een nieuw jaar? Bescherming, vrede, genade en nabijheid van God.

Maar daarmee zijn we er niet. Een zegen roept is geen toverwoord. Op zichzelf kan die niet werken. Het is nodig om ‘em te dóen! Dat wil zeggen, om ‘em toe te laten, binnen te laten komen, ermee te leven, door de dagen heen. Om ‘em in ons te dragen en te blijven

dragen. Terwijl we het nieuws tot ons nemen, over Oekraïne, over Gaza en Israël, over Soedan, Jemen, Myanmar. Over de kabinetsformatie, het asielbeleid, de klimaatcrisis. Terwijl we moeite hebben met het opstarten van een nieuwe dag, als het donker is en wéér regent. Als we ziek zijn, pijn hebben bij het bewegen of bang voor de toekomst. Als we elkaar kwetsen, niet begrijpen, irriteren, overrulen. Dat we de zegen dán bewaren, onder alles door. Ons gelaat weer toekeren naar dat van God, dat altijd naar ons toegewend is. Die ons genadig is, als we voor elkaar of onszelf niet genadig zijn. Die ons dan vrede toezegt.

Zal dat de wereld veranderen? Zal dat het tij doen keren? Het is zo’n donkere tijd zeggen we tegen elkaar. En dat ís het ook. Maar: ja, het verandert de wereld. Als gezegend mens door het leven gaan is een weldaad voor jezelf én voor anderen. Ook al gebeurt het met vallen en opstaan, het maakt verschil. Een gezegend mens is een zegen voor anderen. Een mens dat vrede draagt doet goed aan zijn omgeving. Maakt mild en gelukkig. Zo wordt zegen doorgegeven.

Met Kerstmis hoorden we, dat hoe klein iets goeds soms ook begint, het kan groeien tot iets enorms. Daar gelooft God nog steeds in met ons. We hebben het gehoord. Laten we ook in het nieuwe jaar, weer meedoen.