Mc. 1, 29 – 39

Annet van Straaten
Lezing
Job 7, 1-7

Titel: NABIJHEID GENEEST

Job. Wie kent zijn verzuchtingen niet? ‘Zo ken ik vruchteloze maanden en nachtenlang van getob. ’s Avonds denk ik: wanneer wordt het morgen? En ’s morgens denk ik: wanneer wordt het avond?’ Ik zal nooit geen geluk meer zien. Niet meer dan een zucht is mijn leven.’ Hij had er alle reden toe, hij kreeg het ene slechte bericht na het andere, jobstijdingen zijn die gaan heten: zijn veestapel omgekomen, zijn zonen en dochters gedood. Zijn bezittingen én zijn toekomst waren dus verloren. En zijn vrouw keert zich van hem af, om zijn houding.

Job klaagt erover, maar dat niet alleen. Hij klaagt ook aan! Hij legt zich niet neer bij zijn lot. Hij kan het niet rijmen met zijn leven dat hij leidde als rechtvaardig mens. En hoe begrijpelijk is dat niet!! Job staat voor velen. Mensen die dingen overkomen, die zij niet verdienen. Het gebeurt hele volksstammen, toen en nu nog steeds. Job is hun stem. Hij legt zich er niet bij neer. Hij komt in opstand. De verklaringen die bij monde van vrienden worden aangedragen, hun adviezen, hun vermaningen, ze volstaan niet voor Job. Hij weerspreekt ze. Hij staat voor zijn rechtschapenheid. Hij heeft deze ellende niet over zichzelf afgeroepen. Dus houdt hij vol: Waarom overkomt mij dit? Het is niet eerlijk!

Hij biedt daarmee weerstand tegen de geijkte reacties, de algemeenheden, de dooddoeners. Hoe krachtig! Nee, hij heeft dit niet aan zijn eigen gedrag te danken. En nee, dit komt niet door slechte gedragingen van zijn voorvaderen. En ook niet: dit is iets om van te leren of door af te leren. Al deze uitleg is te schamel. Deze ellende dient nergens toe! Het maakt hem nog meer alleen; hij weigert het om zich er volgens de gangbare opvattingen bij neer te leggen. Die schieten te kort. Job trekt alleen verder in het donkere niemandsland van geen antwoorden. Wat een moed! Uiteindelijk klaagt hij God aan. Roept Hem ter verantwoording. Waarschuwt God dat hij moet opschieten met een antwoord, omdat hij er al bijna niet meer is. Job gooit alles in de strijd. Hij heeft niets meer te verliezen. Hij zet zelfs zijn verhouding met God op het spel met zijn gevraag: waarom overkomt hem dit? Dit is geen leven!

En dan lezen we in Marcus misschien wel Jezus’ antwoord op de vragen van Job. Zijn uitgestoken hand geneest. Nét na zijn eerste openbare optreden in de synagoge, waar hij verbazing had gewekt door hoe hij predikte. Als een man die gezag bezit. En waar hij nog meer verbazing wekte door de genezing van een man die bezeten was. Aansluitend gaat hij naar het huis van één van zijn volgelingen die hij kort daarvoor geroepen had. En

omdat daar een zieke is, bespreken ze dat direct met Jezus. Zo groot was toen al het geloof in zijn kracht. Petrus’ schoonmoeder had koorts. Ook wel vertaald als ‘vuurgloed’ of ‘koortsvuur.’ Ze was misschien aan het opbranden, misschien burn-out. Teveel koortsachtig bezig geweest, uitgeput geraakt. Jezus handelt vervolgens heel ongebruikelijk. Want hij ging naar de vrouw. Dat is om te beginnen al ongebruikelijk in die cultuur toen. Bovendien was het een zieke en dus onreine vrouw. Daarmee is zijn handelen dubbel ongebruikelijk. En tenslotte pakt hij ook nog de hand van die vrouw, die ziek is. Dit is totaal buiten de orde. En dit alles gebeurde op de Sabbat, een 2e genezing op een dag dat dit volgens de joodse wet niet was toegestaan.

Zo ongebruikelijk als Jobs protest en vragen zijn, zo ongebruikelijk is Jezus’ handelen.

Ze nodigen uit, ieder op eigen manier, om stil te staan bij ons eigen doen en laten. In hoeverre laat ik mij bepalen door patronen, verwachtingen? In hoeverre luister ik écht door naar mijn aller diepste vragen of verlangens? Of hoor ik ze wel en weerhoud angst mij, om ze te volgen? Ten koste waarvan? Waar zou ik bang voor moeten zijn?

Jezus spreekt geen woord. Hij gaat naar haar toe. Zij wordt door hem aangeraakt en wordt vrij van koorts. Waar de vrienden van Job met hem mee klaagden, hem adviseerden, hem vermaanden en tenslotte in de steek lieten, doet Jezus het tegenovergestelde. Hij gaat naar de vrouw, woordeloos. Hij pakt haar hand. Hij verbindt zich met haar lijden. Ín dat lijden blijft hij overeind staan. Dat maakte haar vrij van haar koorts. Nabijheid geneest. Hij hielp haar opstaan, ze herrees. en ze gaat hem bedienen, zich dienstbaar maken. Dat is wat er gebeurd als je genezen wordt. Dan ga je meedoen, meewerken, vanuit dankbaarheid.

Toen de Sabbat voorbij was, na zonsondergang, werden allen die lijdend of bezeten waren naar Jezus toegebracht. Állen! Hoeveel zouden dat er wel niet geweest zijn, in de stad Kafarnaüm? Zoals bij Petrus’ schoonmoeder verbond hij zich ook hier met ieder die in nood was. Hij genas velen en dreef geesten uit. Hij liet zich gebruiken, hij gaf zich aan hen. Deze genezingen blijven wonderen. Genezen worden door aanraking, door de kracht die van iemand uitgaat. Als ik erbij stilsta, kan ik de kracht voelen. Hij verbood de boze geesten over hem te praten, omdat zij hem kenden. Waarom? De uitleg is, omdat hij niet als genezer of als wonderdoener bekend wilde worden. Zijn boodschap was een andere. Die ging verder dan zijn eigen persoon; die verwees naar de bron van zijn genezende werking. Naar het goede nieuws van de liefde die hem geopenbaard was, bij zijn doop in de Jordaan. Dát goede nieuws had hij te verspreiden.

Hij gaf zich aan de menigte, Hij gaf wat hij had, maar kon dat niet zonder zichzelf te blijven voeden. Daarvoor zocht hij de leegte en de eenzaamheid op. Om contact met zijn Vader te blijven houden. Om te verstaan hoe zijn weg verder moest gaan.

Als zijn leerlingen hem komen halen, want iedereen zoekt hem, dan gaat hij daar niet op in. Hij weet nu dat hij verder moet gaan, het is zijn bestemming om er voor álle mensen te zijn.

Wat wijst Jezus ons een weg! Niet ingaan op verwachtingen, gericht blijven op de innerlijke stem. Onze weg gaan, de misschien soms ongebruikelijke paden niet schuwen. Protest aantekenen, waar we onrechtvaardigheid ervaren. Moedig zijn. Andermans ongebruikelijke weg niet afwijzen, ervoor openstaan, ons ermee verbinden. Ook als we daarmee gangbare grenzen overgaan.

Om daarmee het goede nieuws te leven en verder verspreiden: het goede nieuws van liefde leven in álle omstandigheden. Laten we het blijven oefenen.