Joh. 21, 15 – 24

Els Vis
Lezing
Micha 4, 1-5

LAAT DREIGING ONS NIET OVERWOEKEREN

We gaan er allemaal aan! Dat is – kort gezegd – de teneur van het boek Micha, vernoemd naar de profeet uit de 8e eeuw voor Christus. Ik citeer: “Het onheil valt niet meer af te schudden. Het is voorbij. Jullie zijn reddeloos verloren.”

We gaan er allemaal aan is ook de titel van een Tv programma waarin allerlei scenario’s worden belicht die het voorbestaan van de mensheid bedreigen. Klimaatverandering, het gevaar van kunstmatige intelligentie, wereldwijde epidemieën, de dreiging van een nucleaire oorlog.

Dreiging is er. Van alle kanten en dat beangstigt veel mensen. Mij ook. Er wordt gezegd dat het goed is voor je mentale gezondheid om het nieuws af en toe te mijden. Al die ellende is gewoon niet gezond voor een mens. Het is een luxe die we ons hier kunnen permitteren. Om gewoon de krant in de papierbak te gooien, het journaal over te slaan, jonge plantjes in de tuin te zetten en een wijntje open te trekken. We hebben behoefte aan toekomstperspectief, aan goedheid, schoonheid.

In de 6e eeuw voor Christus was dat niet anders. De onheilstijdingen van Micha waren inmiddels uitgekomen met de val van Jeruzalem en de deportatie van vele Judeeërs naar Babylon. Ter verzachting van Micha’s donderpreken werden er profetieën van voorspoed aan zijn teksten toegevoegd. Er was tijdens de ballingschap immers vooral behoefte aan een positieve toekomstverwachting. Onze lezing uit Micha is zo’n hoopvol toekomstbeeld. We proberen ons vast te houden aan de hoop. Dat is van alle tijden. We hebben ook geen keus. Want als we de hoop opgeven, dan zijn we pas echt reddeloos verloren. Maar toch ... ik vind het niet altijd makkelijk. Hoe klinkt zo’n lezing uit Micha jullie nou in de oren? Eens zal de dag komen, dan zal er geen oorlog meer zijn en zitten we allemaal tevreden onder onze druivenrank. Stemt ze hoopvol? Bemoedigend? Of maakt het juist verdrietig? Ik word er ook wel een beetje cynisch van. Speren worden tot snoeischaren. Ja ja, geloof het zelf!. . .

Over snoeischaren gesproken: gisteren op de tuindag zat ik in een border lelietjes van dalen uit te steken. Het zijn woekeraars en de border stond er behoorlijk mee vol. Het was een pittig klusje, want de wortels gaan diep en vormen een gigantisch wortelstelsel waarmee ze met elkaar zijn verbonden.

Iemand – ik noem geen namen – liep voorbij en zei: “Dat moet je niet doen. Dat heeft helemaal geen zin.” Ik zag de enorme hoeveelheid lelietjes van dalen en kreeg door die aansporing de neiging om het steekmes erbij neer te gooien en iets leukers te gaan doen. Maar een ander zei: “Natuurlijk komt het weer terug, maar als je er niets aan doet, dan woekert het alsmaar door en krijgen andere planten geen ruimte om te groeien.” Dus herpakte ik me en ging aan de slag.

Harrie van Nieuwkuijk was al enige tijd eerder met de klus begonnen en hem deed het goed dat hij er niet langer alleen voor stond. Nog wat na sudderend over al die planten met hun diepe wortels en dat we volgend jaar weer opnieuw kunnen beginnen, zei hij – en ik geef een vrije hertaling van zijn woorden – “het helpt als je gelooft in wat je doet.”

De dreiging is reëel. We leven in een wrede wereld. Maar als we niet meer kunnen geloven in een wereld anders, dan woekert de wanhoop en de moedeloosheid alsmaar verder door en maken we geen ruimte voor goedheid, voor een hoopvol toekomstperspectief. Voor de liefde.

“Heb je me lief?” vraagt Jezus aan Petrus. Die lijkt het een overbodige vraag te vinden. “Ik hou van je, dat weet je toch?!” Maar het gaat hier niet om een exclusieve genegenheid tussen twee mensen. Jezus heeft het over de zelf gevende liefde. Liefde die een opdracht in zich draagt: Weid mijn lammeren. Hoed mijn schapen. Schapen en lammeren symboliseren de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan. De zwakheid van de op zichzelf staande mens. En wordt in verband gebracht met het lijden waar mensen geen verweer tegen hebben.

Heb je me lief? Volg mij dan en geef jezelf aan de weerlozen, de gekwetsten, de eenzamen. Heb je me lief, verzamel dan de kreupelen en de verdwaalden. Want we zijn één kudde, één mensenvolk dat verlangt naar vrede. Een mensenvolk dat niet gedijt bij sterke leiders, maar bij goede herders. Een goede herder ziet om naar zijn schapen. Hij is een betrouwbare en dienende leider.

De tekst uit Micha staat op een gedenksteen bij het gebouw van de Verenigde Naties in New York. Stel je eens voor: de vergaderzaal van de VN helemaal gevuld met goede herders. Dan zouden de Israëliërs en de Palestijnen vredig onder hun vijgenboom liggen. De mensen in Somalië en Ethiopië zouden te eten hebben en de meisjes in Afghanistan zouden naar school gaan. De mensen in Congo, in Jemen, in Syrië zouden veilig zijn. Er zou rust zijn voor de inwoners van Zuid-Soedan en Burkina Faso. Er zou gedanst worden in de straten van Haïti en de Oekraïners zouden door niemand meer worden opgeschrikt.

“Volg mij.” We worden uitgenodigd om onze blik niet te richten op de dreiging, maar op de hoop. Om ons niet te laten overwoekeren door de angst voor de ondergang, maar ruimte te maken voor het geloof in de opstanding. Niet omdat we naïef zijn, natuurlijk woekeren die planten/woekert het kwaad door, maar omdat alleen die weg leven geeft, omdat die weg een uitweg is uit ik-gerichtheid en onverschilligheid. En natuurlijk laten we ons koppie

af en toe hangen. Verdwalen we in de veelheid van wat ons bedreigt. In de veelheid van verschrikkingen die mensen in onze wereld overkomen.

Inmiddels was een derde neergestreken in de border om de woekerende lelietjes van dalen een flinke slag toe te brengen. “Het helpt als je gelooft in wat je doet,” herhaalde ik de woorden van Harrie. “Ja, maar het helpt pas echt als je het samen kunt doen,” reageerde de nieuwkomer. “Om de moed niet te verliezen.” Dus als we op een punt komen dat we denken “ik geloof het wel, laat maar zitten” dan wens ik ons toe dat een goede herder ons vindt en terugbrengt naar de kudde. Om dat te doen wat nodig is, om dat te doen waar we in geloven.

Dat het zo mag zijn.