Mc. 9, 38 – 50
- Lezing
- Numeri 11, 25-29
Wie houdt stand in de cirkel van het goede?
Ieder van ons maakt tijdens het leven deel uit van verschillende cirkels: familie, werk, vrienden, kerk, politiek, gemeenschap. Sommige cirkels overkomen je, zoals je familie, andere cirkels kies je zelf. Je kunt erin gaan en ook weer uitgaan. Soms sluit een cirkel zich af, enerzijds sluit je dan anderen buiten maar anderzijds kan het ook het ook voortkomen uit de behoefte het goede van de eigen cirkel te beschermen. Het is een spannende dynamiek: hoe rekbaar is de eigen cirkel? Mozes is een leider die daarin een belangrijk voorbeeld is: hij beseft dat hij de intieme cirkel tussen God en hemzelf moet openbreken en verheugt zich over de geest die op de 70 oudsten wordt gelegd. Maar hij gaat nog verder: hij verheugt zich ook over de geest die op andere wijze te werk gaat – buiten het kamp, dus buiten de lijntjes gaat. Hij verlangt er naar dat iedereen met die geestkracht zou spreken en leven.
Jezus staat in die lijn van Mozes. Hij is voor de leerlingen het centrum van hun cirkel, die ik vandaag de cirkel van het goede noem. Hij neemt immers voortdurend stelling tegenover het kwade: hij drijft kwade geesten uit, alles wat je afhoudt van liefde, geluk. Hij brengt op deze wijze onze schaduwkanten aan het licht. Jezus nodigt de leerlingen uit om medewerker te zijn en zich in woord en daad te richten op het goede – zoals hijzelf. Vandaag wordt die keuze door Marcus heel radicaal neergezet. Iedereen die in de goede geest handelt, is onderdeel van deze cirkel: ‘Wie niet tegen ons is, is voor ons.’ Maar om in die cirkel te blijven, moeten we wel radicaal breken met alles wat ons afhoudt van het goede. Om de radicaliteit wat beter te verstaan, kijk ik vandaag naar de context.
Deze passage is onderdeel van het gesprek van Jezus met de leerlingen over de vraag wie van hen de grootste is. Die vraag leeft onder de leerlingen en het is een vraag waarin zij om zichzelf heen cirkelen – met het risico dat die eigen cirkel gesloten wordt. Jezus draait het om, zoals hij vaker de zaak omdraait: groot is degene die dient, die de kleine ziet en bijstaat. De kleine, dat is de kwetsbare mens. Denk maar aan dat kind, waarvan we vorige week hoorden dat Jezus het in hun midden plaatst. Het gaat niet om jou, het gaat niet om mij: het gaat om een wereld waarin alles wat kwetsbaar is met eerbied en dienstbaarheid wordt behandeld. En de mens die dit niet doet, handelt niet in de goede geest en heeft werk te doen aan zichzelf. De radicaliteit van dit werk – het afhakken van ledematen en uitrukken van een oog – stuit mij hevig tegen de borst. Dat zal het bij jullie ook doen. Mijn eerste reactie bij de tekst is dan ook om het beeld te verzachten. Maar is dat wel de goede reactie? Haal ik daarmee niet de ernst eruit?
De ernst van deze passage is voor mij de vraag: wat wil je opgeven omwille van Gods rijk? En de ernst wordt verdiept door het antwoord van Jezus: Alles wat mij afhoudt van het goede, alles wat mij ervan afhoudt om medewerker te worden en te delen in die goede geest.
Op radicale wijze zet Jezus ons de verleidingen, verslavingen voor ogen die in ons leven een rol spelen. Onze schaduwkant. De competitie over de eerste plaats, die de aanleiding is voor deze woorden van Jezus, zal de mens versnipperen – er blijft niet veel van mij over als ik alles moet afsnijden wat me verleid en in de weg zit. Erger nog: het zal de gemeenschap van christenen verdelen, dat zien we tot op de dag van vandaag. Onze schaduwkanten zijn er, daar komen we ook nooit helemaal van af. Het is niet de bedoeling om onszelf of elkaar daarin moralistisch de maat te nemen. Maar het is wel de uitdaging van het evangelie om radicaal te breken met wat ons afhoudt van de liefde en om zelfonderzoek te doen. Eerlijke zelfkritiek verzacht het oordeel en kan helpen om met meer eerbied en respect te leven. Liefdevolle eerlijkheid oefenen we hier ook met elkaar, daaraan groeit de onderlinge verbinding in zijn Naam.
Met woorden uit het evangelie: de worm die aan je ziel knaagt, moet wel aangekeken worden. Niet verbergen, negeren, verdringen. Maar kijken naar het goede wat die worm kan doen: openmaken, lucht geven. Als je die worm niet aankijkt, geen werk aan je ziel toelaat, tja, dan zal het tot in lengte van dagen blijven branden in je ziel. En dat is niet het vuur van heilige Geest. Als je het wel aankijkt, zul je ontvankelijker worden voor dat vuur van heilige Geest. Want hoe meer mensen daardoor worden aangestoken hoe beter!
De vraag waar ik vandaag bij uitkom is de vraag tot welke cirkel je wilt behoren. Volgens het evangelie is er een duidelijk te onderscheiden perspectief. Het ene perspectief is het Koninkrijk, dat tegenover het andere perspectief van de Gehenna komt te staan. De Gehenna als plaats van ultiem verderf, waar mensen terecht komen die zichzelf met ultieme slechtheid hebben ingelaten. Je roept dit oordeel dus over jezelf af… Dat is niet zwart wit, in onze werkelijkheid is het meestal een hellend vlak. Maar volgens het evangelie is er altijd een keuze: je kunt op je schreden terugkeren naar het goede perspectief.
De cirkel van het goede is open en rekbaar. Ieder die in de geest van liefde handelt is welkom. Daarin blijven vraagt standvastigheid, trouw aan het goede en dus steeds opnieuw onderscheiden waar het op aankomt. Daar is zout voor nodig, want zout zorgt immers voor houdbaarheid. Jezus wil niets liever dan dat zijn geest gedeeld wordt, daarin lijkt hij op Mozes. Aan ons de uitnodiging, die vaak als uitdaging voelt, om de dingen die ons afhouden van de weg van liefde aan te kijken, elkaar daarin te bemoedigen en zo nodig ook aan te spreken. Dat vraagt intimiteit en ook een gezamenlijk perspectief. Het perspectief dat we vandaag zo scherp horen en ook hard nodig hebben in de werkelijkheid van oorlog en dreiging: meewerken aan een menswaardige wereld, wie wil dat nu niet?