Lc. 3, 1 – 9

Els Vis

Ik ben en ik zal: hier sta ik voor

Michael, een inwoner van New York, had op 10 september 2001 tot laat doorgewerkt. Daarom besloot hij de volgende ochtend om rustig op te starten en later naar zijn werk te gaan in de South Tower in Manhattan. Een ogenschijnlijk onbeduidend besluit, maar het redde zijn leven. Want diezelfde ochtend vlogen er twee vliegtuigen in beide torens die binnen anderhalf uur zouden instortten. Was Michael een beter mens dan die ruim 2700 anderen die op die dag in een van die torens hun leven lieten? Was het voorbestemd dat hij mocht leven en zij niet? Was hun dood een straf van God? Zat er een betekenis achter? Zeker niet! zou het antwoord van Jezus hierop kunnen zijn. Het noodlot maakt geen onderscheid. En die dag ging het lot simpelweg aan Michael voorbij.

Ook het evangelieverhaal rept over vreselijke gebeurtenissen. Er is een bloedbad aangericht door de soldaten van Pilatus en er is een toren ingestort waarbij mensen zijn omgekomen. In de voorbereiding schetste Koos het mooi: er wordt gereageerd op nieuwsberichten. Mensen praten met elkaar over wat er gebeurt. En wat in die tweeduizend jaar niet is veranderd is ons verlangen om alles te duiden, om voor alles een zinvolle verklaring te vinden. Zolang we weten hoe het zit, wie fout zit en wie goed, wat oorzaak en gevolg is, hebben we grip op de situatie. Uit angst en onzekerheid proberen we orde te brengen in een wanordelijke wereld door over mensen en gebeurtenissen een oordeel te vellen.

Ook mij is die neiging niet vreemd. Ik vind heel gemakkelijk wel iets van alles en iedereen. En ik doe ook geen moeite om dat te verhullen. Verschillenden onder jullie hebben mijn afkeurende blik, botte uitspraak of linkse directe wel eens ervaren. Dat kleurt vaak het contact en niet ten goede en dat vind ik zonde. Zonden: onze innerlijke neigingen die ons gevangen houden, die ons weghouden van hoe wij bedoeld zijn. Ik denk dat we allemaal wel onze minder goed uitgepakte eigenschappen voor de geest kunnen halen en hoe die soms of best wel vaak voor verdriet of verwijdering hebben gezorgd. Jezus zegt dus terecht dat die anderen geen grotere zondaars zijn dan wij.

Het goede nieuws is: God zoekt juist onze gebrokenheid, onze onvolkomenheid, ons geploeter. Want daar is omkeer mogelijk. Dat is het inzicht: je bent niet beter dan een ander, maar je hebt wel veel te geven en je tijd is kostbaar. Dus doe er iets goeds mee. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de ene ploeteraar en de andere. Iedereen is gelijk voor God. Iedereen. Slachtoffer en dader. Onderdrukker en onderdrukte. Sloeber en multimiljonair. Die goddelijke liefde is menselijkerwijs niet op te brengen. Het is een radicale liefde, geworteld in God.

En juist omdat het mijn pet te boven gaat, verschaft het besef van die goddelijke liefde mij een zekere rust. Er wordt écht van mij gehouden, puur om wie ik ben. Het is niet nodig om mezelf boven een ander te plaatsen, want van die ander wordt net zoveel gehouden om wie hij of zij is ... Als ik die radicale liefde tot me door laat dringen, - en dat lukt me zeker niet iedere dag - dan weet ik dat het niet aan mij is om een oordeel te vellen. Dat het niet aan ons is om mensen en gebeurtenissen in hokjes te stoppen. Om altijd maar onze meningen te verkondigen, op social media mensen aan de schandpaal te nagelen. Om mensen uit ons getuigenboek te wippen omdat ze – ondanks al hun goede daden – een behoorlijk scheve schaats hebben gereden. God wipt niemand eruit.

God is als die wijngaardenier die samen met de eigenaar van de wijngaard naar een vruchteloze vijgenboom staat te kijken. De eigenaar ziet na drie jaar nog altijd geen vruchten en trekt de conclusie dat de boom niet doet waarvoor hij bedoeld is. Hij oordeelt dan ook: Hak hem maar om. Maar de wijngaardenier velt geen oordeel en dus ook geen vijgenboom. Hij geeft niet op. Hij ziet wat in potentie in de boom aanwezig is en wat nodig is om dat naar buiten te laten komen.

Zo is het ook met ons. In ons dragen wij de potentie om vruchtbaar te zijn. Wat we nodig hebben is iemand die ons de tijd geeft, die in ons gelooft, die ziet wat we waard zijn, ook als we dat zelf niet zien. Niet ieder mens krijgt in zijn leven wat hij nodig heeft om te groeien. Hier voor ons liggen onze wortels, zoals we die vorige week hebben neergelegd. Wortels uit onze jeugd, beschadigde wortels die hier zijn hersteld, wortels die misschien nog altijd beschadigd zijn, wortels die hier goede grond hebben gevonden en wortels die daar nu niet meer zo zeker van zijn. We weten vaak zo weinig van elkaar. Maar één ding is zeker: wij staan hier allemaal als kwetsbare mensen.

Hoe leven wij vanuit onze wortels? Waar staan wij voor? Het Exodus verhaal biedt ons een mooie invuloefening. God geeft Mozes woorden mee om het volk te bemoedigen. Dat begint met ‘Ik ben ...’ De betekenis van de naam van God, zoals die zich in het boek Exodus aan Mozes bekend maakt, is: Ik ben die er zijn zal. Die naam klinkt als een liefdesverklaring én tegelijk als een opdracht. Wat er ook gebeurt, wat je ook doet, goed of slecht, ik ben er voor je. Ik zal er zijn. Zo mogen wij ons gedragen weten en vanuit dat geloof kunnen wij zo ook anderen dragen: Ik ben er.

Dan volgt zeven maal ‘ik zal’. Zeven: het heilige getal, het getal van de volkomenheid. Ik zal bevrijden, ik zal verlossen, ik zal geven ... En dan herhaalt God nogmaals ‘Ik ben’. Wat God zal doen is ingekapseld in zijn naam. God staat voor het verbond dat Hij sloot en voor de belofte die Hij deed. Zijn boodschap: dit is niet het einde, ook al lijkt het zo. Dit is geen dooie boom, ook al lijkt het zo. Ik zal jullie bevrijden. De boom zal vruchten dragen. Ik ben en ik zal. Laten we de komende vijf minuten in stilte die invuloefening voor onszelf doen. Hoe ben ik geworteld? Hoe leef ik vanuit mijn wortels? Waar sta ik voor? Waar geloof ik in? En kijk met de ogen van de wijngaardenier. Want ook wat je nog niet ziet, kan in jou aanwezig zijn. Ik ben ... en ik zal .....