Lc. 12, 13 – 21
- Lezing
- Prediker 2, 1-11
LEVENSVREUGDE!
We maken ons druk, we maken ons zorgen, we maken plannen ... “Dwaas!” krijgt de rijke man te horen. Is het dwaasheid? Al ons ploeteren en zwoegen in de wetenschap dat ons leven op ieder moment kan eindigen? Het besef van onze sterfelijkheid, maakt dat wij nadenken over het leven. En precies dat doet Koheleth, door Luther uit het Hebreeuws vertaald met Prediker. Hij was waarschijnlijk een wijsheidsleraar die zijn gedachten over het leven opschreef onder het pseudoniem van koning Salomo, overigens zonder zijn naam te noemen. Als koning heeft hij zo’n beetje alles waarover een mens maar kan beschikken: macht, goud, paleizen ... – hij heeft alle genoegens van het leven mogen smaken. Maar wat heeft het uiteindelijk voor zin? De dood maakt immers aan alles en iedereen een eind.
Nee, een ‘vrolijke Frans’ lijkt Prediker zo op het eerste gezicht niet. Hij sombert over de zinloosheid van het bestaan. Twijfelt over alles wat mensen voor waar aannemen. Meent dat we geen invloed hebben op ons lot. Hij heeft, kortom niet veel vertrouwen in het leven. Wat opvalt is dat het alleen maar draait om ‘IK’. Maar liefst 25 keer gebruikt Prediker dit woord als hij in de huid van de koning kruipt en zijn leven overdenkt. Hij heeft zich als een god gedragen, zijn eigen koninkrijk geschapen en ‘grootse dingen’ gedaan. Maar uiteindelijk overheerst de leegheid. Nogal wiedes, denk ik dan, we lezen nergens over vriendschap, liefde en verbondenheid.
Ook in de gelijkenis van Jezus is de rijke man alleen maar met zichzelf en met zijn bezit bezig. Als hij dat veilig kan stellen, kan hij het er lekker van gaan nemen. Kortom, in beide lezingen zien we het ‘dikke ik’. Een fenomeen dat zich in onze tijd nadrukkelijk manifesteert. Wat we ook zien is de nadruk op materieel bezit – hebberigheid, luxe.
Uit onderzoek blijkt dat wij Nederlanders in de Europese top zitten als het gaat om individualisme en hedonisme: we zijn sterk met onszelf bezig en streven naar genot en plezier. Onze cultuur kent een hoge mate van vrijheid om te kunnen doen wat je wil en genieten van het leven is een groot goed. Onze luxe, individualistische levensstijl zet zich door ondanks, maar misschien ook wel dankzíj alles wat er in de wereld gebeurt. We bevinden ons in een grote boze én zeer complexe buitenwereld. Overal dreigt gevaar waar we ook nog eens bijzonder weinig invloed op hebben. Dus trekken we ons terug in onze eigen, overzichtelijke en gelukkige wereld van overvloed.
Ik kan hier goed in meegaan. In alle zwaarmoedigheid van onze wereld, waar we ook in deze kapel bijna dagelijks bij stil staan, snak ook ik naar luchtigheid, plezier en ontspanning. Die zijn broodnodig om niet in somberheid en cynisme te vervallen. Mij past
geen oordeel over al die yuppen, de big spenders en de zorgelozen, die zich richten op zoveel mogelijk plezier en een comfortabel leven. Want ook ik ben onderdeel van die cultuur. Ik hou van vertier, van verstand op nul en lekker los. Ik woon in een veel te groot huis, met een goed gevulde koel- en kledingkast, met een auto voor de deur en een wijnvoorraad in de kelder. Ik probeer wel bij te dragen aan een betere wereld, maar tot zeer radicale keuzes heeft dat vooralsnog niet geleid.
Dorothee Sölle vergelijkt onze westerse maatschappij van overvloed en individualisme met de slavernij in Egypte en ons consumentisme met de vleespotten van het slavenland die we ons eigen hebben gemaakt. We ontlenen status en geluk aan het bezitten en consumeren van producten, laten ons bezetten door het verlangen naar materiële welvaart die onophoudelijk wordt aangewakkerd door de bezettingsmacht van reclame, marketing en media. Dit is volgens Sölle “de volmaakte onderdrukking van wat vroeger ooit ‘ziel’ genoemd werd”. Vergeten zijn we dat we ooit vrije mensen waren met andere idealen.
Idealen van een wereld waarin ieder mens gelijkwaardig is en vrijheid van leven heeft. Waarin we zorgdragen voor elkaar en de schepping in een universele leefgemeenschap. We kunnen er onze schouders over ophalen, ze afdoen als onrealistisch. We kunnen er, kijkend naar de wereld, cynisch van worden. Een cynisme die leidt naar onverschilligheid, naar terugtrekking in onze eigen comfort zone.
Geloven, zo zegt Sölle, is vechten tegen dat cynisme. Geloven is een groot ja tegen het leven. En dat leven speelt zich niet alleen af aan de sunny side, aan de lol-kant. Het leven is liefde én lijden. Daarom hebben we elkaar nodig om dat weerbarstige leven met elkaar te delen. In vreugde en verdriet, in rijkdom en armoede, in winnen en verliezen. Te beseffen dat onze daden hier, gevolgen hebben voor het leven van mensen daar. Te beseffen dat als wij hier meer dan drie wereldbollen nodig hebben om te leven, het betekent dat we de ruimte van anderen daar innemen. En dat besef begint gelukkig door te dringen. Het samen, met elkaar leven op deze planeet, is onontkoombaar ons lot én onze taak.
Geloven is ja zeggen tegen het leven in het geloof dat het leven ons gegeven is. Geloven is dit geschenk onvoorwaardelijk aannemen, zonder te zeggen: “ja, maar ik wil eigenlijk alleen dat stukje.” Geloven is kiezen voor het hele leven. We hebben het gekregen, maar we hebben het niet in de hand. We kunnen er iets van maken, maar we kunnen het niet maken. Mag onze ziel zo bevrijd zijn. Dat we zin hebben in het leven en zin geven aan het leven. Dat we af en toe los zijn van de wereld om weer mens te kunnen zijn in de wereld. Dat volle besef – van aanwezig zijn in het leven is levensvreugde: we leven!
En daar blijkt onze sombere Prediker het van harte mee eens te zijn. Want aan het einde van hetzelfde hoofdstuk schrijft hij: “Het beste is voor een mens om zich aan eten en drinken te goed te doen en volop te genieten van alles wat hij moeizaam heeft verworven. [En] ook dat, zo heb ik ingezien, is in de hand van God.”