Mt. 17, 1 – 9
- Lezing
- Exodus 24, 12 – 18
God is licht: laten wij het licht van het duister blijven scheiden, zo goed mogelijk.
Een uur geleden zwaaiden wij onze kinderen en kleinkinderen uit, nadat zij 10 dagen bij ons gelogeerd hadden. Opvallend was dat de kinderen, nu bijna 2 jaar, in de loop van de dagen steeds meer vroegen om licht in de slaapkamer bij het inslapen. Licht waarin zij zich veilig voelden. Het belang van licht kunnen we maar moeilijk overschatten. We hebben deze dagen de lente geproefd, genoten van het zonlicht en de eerste warmte. Tegelijkertijd zijn we overvallen door het geweld van Israël en de VS tegen Iran, waarmee zij de macht in dat land willen breken. Mensen zijn bang, boos én blij. Het is een gemengd gebeuren van donker en licht.
Donker en licht roepen altijd iets op van een tegenstelling. In den beginne scheidde God het licht van de duisternis, opdat het duister het licht niet zou overwinnen. Vandaag horen we over twee ontmoetingen op een berg, zowel bij Mozes als in Jezus wordt het goddelijk licht zichtbaar. Maar het duister is in deze verhalen niet geheel afwezig… Laten we de verhalen wat beter bekijken.
Mozes gaat de berg op, nadat het verbond tussen God en het volk is gesloten en de wetten om dit verbond te kunnen leven zijn gegeven. Hij gaat een wolk binnen, de wolk die in het hele verhaal van de uittocht Gods aanwezigheid uitdrukt. Maar een wolk binnengaan kan een heel verschillende ervaring zijn. Een dichte wolk is als dichte mist, je ziet geen hand voor ogen. Een dunnere wolk lijkt dicht, maar als je erin zit valt het best mee. Je hebt nog wat uitzicht. Hoe die wolk op de berg was weten we niet, maar het vraagt zeker vertrouwen van Mozes om de wolk binnen te gaan. Niets zien of weinig zien: hij heeft een diepe intuïtie gehad dat hij hier moet zijn om te verstaan hoe het verder moet met het volk. Op de berg zal hij Tora ontvangen. Op de zevende dag, een heilige dag, roept God hem en gaat hij nog verder omhoog en nog verder de wolk binnen. Boven die wolk is een laaiend vuur. Het volk ziet de wolk én het vuur van Gods majesteit. Het donker van de wolk en het licht van het vuur gaan samen. Veertig dagen en veertig nachten is Mozes boven op de berg – een echte woestijntijd, waarin hij richtlijnen ontvangt om het tabernakel te bouwen. Zo kan de goddelijke presentie, die op de berg ervaren wordt, een plaats krijgen bij het volk. Hij zal er een heiligdom voor bouwen.
Ook bij Jezus is de zevende dag de dag dat hij de berg op gaat. Na zes dagen, staat er immers. Wat is er dan zes dagen geleden gebeurd? Toen heeft Jezus zijn leerlingen verteld dat hij naar Jeruzalem zou gaan, waar hij veel zou lijden. Hij wist dat daar zijn leven
afgenomen zou worden. Met deze realiteit voor ogen neemt hij de drie intiemste leerlingen mee de berg op. Een berg opgaan is in de Bijbel altijd dichterbij God zijn. Op de berg zien de leerlingen Jezus veranderen: hij straalt in de ontmoeting met Mozes en Elia, die in dit verhaal de wet en de profeten present stellen. Jezus is met hen in gesprek en dat betekent dat hij beseft waar hij vandaan komt: hij is in gesprek met zijn traditie. De drie mannen hebben veel gemeen: ze zijn alle drie op de berg geweest, waar ze de goddelijke presentie ervaren hebben. En alle drie de mannen kennen een bijzonder levenseinde. Waarover zij gesproken hebben? Daar kun je van alles bij bedenken en er is ook veel over geschreven, maar we weten het niet en het is ook niet aan ons om dit te weten. Het is iets tussen Jezus en de Enige, het is iets om met eerbied en ontzag naar te kijken en bij te verwijlen.
De leerlingen zien het licht en dat willen ze vasthouden. Heel begrijpelijk: wie wil er nu niet dichter bij God zijn? Als wij iets moois of iets bijzonders meemaken, willen we daar ook graag bij blijven. Maar er wordt van hogerhand ingegrepen, de godsontmoeting kun je niet vastpakken. De stem die bij de doop klonk klinkt opnieuw: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon!’ Maar nu is hieraan toegevoegd: ‘Luister naar hem.’ Dat is belangrijk; de leerlingen worden in een nieuwe verhouding gezet door deze opdracht. Jezus wordt hier uitdrukkelijk als hun leraar neergezet.
Deze ingreep van hogerhand versterkt het besef van de leerlingen dat er iets heiligs gaande is en ze worden door diepe eerbied én huiver overmand. Ze vallen ter aarde, als een diepe buiging van ontzag. Een combinatie van huiver, angst én vreugde. Opnieuw die vermenging van donker en licht.
In hun angst komt Jezus dichterbij en raakt hen aan met de woorden: wees niet bang, sta op. Cruciale woorden als donker en licht elkaar kruisen. En is dat ook niet wat er op het kruis gebeurt: de kruising tussen het donker van de aardse machten en het licht van opstaan, nieuw leven dankzij de God die trouw is? Donker en licht lijken twee werkelijkheden, maar zoals dag en nacht, vreugde en verdriet, wanhoop en hoop allemaal bij elkaar horen – zo is het ook met donker en licht. En misschien is dat het diepste te ervaren als je dicht bij het goddelijke licht bent, zoals Mozes, zoals Jezus.
Wij zijn veertig dagen onderweg naar Pasen met het thema ‘erbij blijven’. Vandaag worden we uitgenodigd om bij het donker én bij het licht te blijven – midden in het leven van de wereld én op de berg in de stilte. Erbij blijven, bij donker én licht betekent dat we onze ogen niet sluiten voor de oorlogen, voor de wanhoop van iemand in crisis, voor de eenzaamheid van een oude mand die naar het levenseinde verlangt. Het betekent dat we blijven vertrouwen dat het licht nooit volledig weg is. Dat vertrouwen is mijn baken, dat ik van Jezus leer met zijn woorden: ‘Wees niet bang en sta op!’
Erbij blijven betekent ook dat ik zelf bij het baken blijf én bij een ander blijf. Dat ik me niet verlies in de duisternis waarin die ander leeft. Dat ik misschien een klein beetje licht breng in het leven van die ander.
Laten wij in deze veertigdagentijd het licht blijven scheiden van de duisternis. Zo goed mogelijk scheiden om te onderscheiden waar het op aankomt. Dat wij een spoor van licht volgen en ook samen een spoor van licht vorm blijven geven.