Joh. 4, 5 – 26
- Lezing
- Exodus 17, 1-7
Het stroomt in mij, in ons
Vandaag gaat het over onze bron. De bron van ons gezamenlijk bestaan, de bron in ons hart. Wij zongen zojuist die prachtige psalm 42, een poëtisch hoogtepunt in de wereldliteratuur. Een lied waarmee, door alle eeuwen heen, gelovigen hun ziel hebben uitgezongen in een schreeuw naar God, een schreeuw die eindigt met ‘aan de dood ontheven’. Aan het einde van deze viering zingen we de zo intrigerende woorden over de bron van ons bestaan die sinds de schepping stroomt. Wij komen hier omdat wij geloven, willen geloven, dat de bron in ons hart onderdeel is van de bron die sinds de schepping stroomt.
In de eerste lezingen hoorden we dat het volk Israël om komt van de dorst. Wij als gemeenschap lijken niet in zo’n situatie, maar als we om ons heen kijken in de wereld weten we wel beter. Één oorlog tegelijk, zong ooit een cabaretier, dat zou hem helpen om de wereld binnen te laten. En wij hier als deze kleine groep gelovigen met al onze verschillen in religieuze beleving en spiritueel samenleven. Wie dorst er niet naar een gezamenlijke rijke toekomst?
In Exodus beklaagt Mozes zich bij God. Doen wij dat wel eens? Durf ik dat wel? Durven wij dat ook wel over en weer, wanneer we van elkaar geen water krijgen? Mozes moet dan op een rots slaan. Dat lijkt heel bijzonder dat er dan water uitkomt. Maar in het land van Palestina is dat goed voorstelbaar. Jarenlang kan regenwater door poreus gesteente van een hoge rots naar beneden sijpelen. Als je dan aan de voet van de rots wat gruis en zand wegveegt, kan het zomaar gebeuren dat het water daar eruit stroomt.
Belangrijker dan deze verklaring is wat er in dit verhaal gebeurt. Het volk wordt woedend op Mozes, wil hem zelfs doden, en het volk stelt God op de proef, met de vraag of de Heer wel aanwezig is. Je kunt het vergelijken met de situatie dat wij boos worden op de mensen die ons besturen, omdat wij dorst hebben. En dan ook nog vragen: Is de Heer in ons midden?
In ons midden. Wij hebben dat hier veelal opgevat als Tussen Ons In. Zo heette ook het tijdschrift dat wij vroeger uitgaven. Maar ‘in ons midden’ kun je in het Hebreeuws ook lezen als ‘midden in ons’, midden in ieder van ons. In ons midden is dus niet alleen sociologisch, tussen mensen in, maar ook spiritueel, in ons hart. En dan wordt zo’n vraag heel existentieel: Is God aanwezig in mij? Hoe staat het met dat onbenoembare in ons, dat wij bij gebrek aan beter aanduiden als de goddelijk vonk, de bron van ons bestaan. Ik ken mensen die bij het opstaan altijd eerst een groet brengen aan de vonk in zichzelf, en voor het slapen gaan de dag daarmee beëindigen.
De Samaritaanse vrouw in het Evangelie was er, net als het volk in de woestijn, ook slecht aan toe. Zij was vanwege al haar mannen, buitengesloten door haar gemeenschap. Daarom kwam zij niet in de ochtend, als het nog koel is, samen met andere vrouwen water halen bij de bron, maar alleen, als een paria, op het heetst van de dag.
Ze reageert heel hard en afwijzend als een vermoeide man haar om drinken vraagt: Jij bent een Jood, ik ben een Palestijnse. Wat heb ik met jouw dorst van doen! Een logische reactie eigenlijk. Want het was al ongehoord dat Jezus tot haar het woord richtte. Jezus overschreed daarmee een grens in de communicatie, en gaat zelfs een gesprek met haar aan. En in dit gesprek tikt Jezus het gruis en zand van haar angst en weerstand weg waardoor zij weer in contact komt met de bron van haar verlangen zodat liefde ook door haar heen weer kan gaan stromen.
Zo bijzonder dat gesprek. Neem bijvoorbeeld de reactie op wat de vrouw zegt: ‘Ik heb geen man’. Jezus had hier kunnen zeggen: ‘Je liegt’. Je leeft wel met een man, en het is al je zesde relatie. Nee, hij zegt iets wat buiten de normale gespreksorde valt. Hij zegt: Je spreekt de waarheid, want jouw huidige man is ook jouw man niet. Je leeft niet echt in een echte verbondenheid. diepe relatie. De vrouw weerspreekt hem niet. Dat is veelzeggend.
En zo intrigerend, na gesprekken over hoe te leven en te bidden, gaat het om de vraag hoe wij God moeten aanbidden. Let wel die vraag wordt gesteld in de brandende zon, in een gesprek tussen iemand die in vreemd land dorst krijgt en water vraagt aan een vrouw die als paria in haar gemeenschap leeft.
Aanbidden, dat moeten wij doen in geest en waarheid. Twee bedrieglijk eenvoudige woorden. Geest? Ik denk dat daarmee die vonk, die bron in mij zelf , in ieder van ons wordt bedoeld, zoals die soms ook tussen ons merkbaar is. In Geest en waarheid? Ik denk dat met die waarheid bedoeld wordt dat we alles aankijken in de werkelijkheid. De pracht en schoonheid van onze aarde, de barre ellende in oorlog en honger en dorst. Niets wegdenken, alles zien, en dan toch aanbidden.
En als wij dan zo in geest en waarheid samen aanbidden, dan kan het ons overkomen dat de ander ons iets te zeggen heeft dat van hogerhand komt, afkomstig uit de bron van ons gezamenlijk bestaan. Dan kunnen wij misschien een plek vinden naast de man die bij de bron ons verlangen weer doet stromen. Mag het ons deze weken overkomen, dat we zeggen: Ach sla voor mij op de rots, sla op mijn rots opdat de bron in mij weer kan stromen en wij gezamenlijk de Bron van ons bestaan in Geest en waarheid kunnen aanbidden.