Joh. 20, 19 – 31

Jan Renkema
Lezing
Genesis 8,6-16

‘There’s a crack in everything’

Het is de achtste dag van Pasen, beloken Pasen. Wij moeten verder zonder het verhaal van Petrus en Johannes die op paasmorgen een leeg graf aantreffen en voorzichtig gaan geloven in opstanding. Wij moeten nu verder zonder het verhaal van Maria die eerst denkt de tuinman voor zich te hebben, en dan naar de leerlingen gaat en zegt: Ik heb de Heer gezien. Nu komt het erop aan wat wij geloven. Hoe laten wij ‘in de vlam van de paaskaars’, zoals wij zojuist zongen, ‘het aanschijn van Jezus over ons lichten’?

De wereld, een afgrond? Wij staan, als we naar de wereld om ons heen kijken, aan de rand van de afgrond. Een heldere? afgrond. Ik citeer uit Mijn Heldere afgrond van Christian Wiman:

Dikwijls denk ik dat het geloof niet meer – en niet minder – inhoudt dan geloof in het leven, in het doorgaan ervan, in een of ander bewustzijn (…) dag voor dag en dood voor dood, van een tedere en onverwoestbare energie die, voor wie het kan zien, liefde is.

In het evangelie van Johannes draait alles om ‘geloven’. Het woord komt tweeëntachtig keer voor, bijna drie keer zoveel als bij de andere drie evangelisten samen. In de andere evangelies gaat het eerder om het volgen van Jezus, en wat wij daarin dóén. Maar Johannes spreekt daar veel minder over. Het gaat bij hem om geloven, en daarmee dus ook over twijfel. Dat lege graf, die tuinman. Of zoals in de mythe van Noach, die twijfelt of er wel werkelijk leven is op die barre steppe waar hij over uitkijkt. Hij had een duif nodig om zijn twijfel weg te nemen. Die twijfel of de steppe ooit zal gaan bloeien.

Geloof en twijfel Geloof en twijfel horen bij elkaar. Dat zien we aan Thomas. Die wordt niet voor niets ‘tweeling’ genoemd, zo vertelt ons een bepaalde uitleg. Natuurlijk kan hij één van een tweeling zijn, maar het kan ook figuurlijk worden opgevat: Thomas is een mens met twee gezichten, Thomas is de ambivalentie in persoon. En waarom krijgt hij direct na Pasen zoveel aandacht? In elke geloofsgemeenschap is een twijfelaar onmisbaar. Altijd en overal zijn er mensen nodig die roepen: ‘ja maar’ of ‘eerst zien en dan geloven’. Of, laat eerst maar een duif op verkenning gaan. Juist wanneer er geen twijfelaars in deze gemeenschap zijn, moeten we ons zorgen maken.

Thomas was een realist, maar ook veel meer dan dat. Toen Jezus zijn ernstig zieke vriend Lazarus in Jeruzalem wilde opzoeken, zei iedereen tegen Jezus: ‘Niet doen, dat wordt je dood.’ Maar Jezus ging toch. En dan staat er dat Thomas zegt: ‘Laten wij met hem mee gaan om ook te sterven.’ Thomas zei al eerder wat Petrus pas later zei: Zo lang bij Jezus blijven tot in zijn dood. Petrus verloochende Jezus. Maar Thomas, nee Thomas reageert anders. Voor hem hoeft het nu niet meer! Hij verloochent niets, maar zijn ideaal is wel

dood en begraven in de afgrond van de aarde. ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder.’ Verder komt hij niet.

En dan, op deze achtste dag, een dag zoals deze zondag nu, zijn de leerlingen weer bijeen. Je hoort hier in deze tekst, die twee generaties na Jezus is geschreven, al iets over de jonge gemeente, die gewoon was van zondag op zondag, steeds opnieuw op de achtste dag bij elkaar te komen. Nu is Thomas er ook bij. Hij is vast niet van gedachten veranderd. Maar in zijn verdriet, in het niet zien hoe het verder moet, wordt hij meegenomen door zijn medeleerlingen. Kom op, je hoort er ook bij. Jij, die denkt dat hij dood is, jij die om je heen alleen maar de dorre steppe ziet. Voor jou hoeft het eigenlijk niet meer. Maar je hoort er wel bij. Iedereen kent toch uit eigen ervaring dat er soms niets anders meer is dan leegte en gemis of toekomstpessimisme. En dan altijd ook nog de geschonden lichamen in de afgrondloopgraven van de aarde. Het gaat erom dat we iemand toelaten in dit ongeloof.

En Thomas? Hij komt wel. Hij keert zich niet af van degenen die iets geloven dat hij zich totaal niet kan voorstellen. Wat opvalt hier is dat deze leerlingen, gelovig en ongelovig, wel bij elkaar komen, wel elkaar blijven vasthouden. Op deze achtste dag en ook op de zondagen hierna zullen er ook hier in deze gemeenschap van gelovigen steeds een paar mensen terneer zitten in tranen van ongeloof. En dan toch elkaar vasthouden.

De stem als mystieke ervaring: Vrede! De deuren zijn gesloten, de luiken zijn dicht, beloken Pasen. De leerlingen zijn bang, want zou hun niet hetzelfde kunnen overkomen als Jezus, omdat ze immers bij hem hoorden? Als er dan toch een stem gehoord wordt, dan moet het wel de stem van de goddelijke aanwezigheid zijn, de stem die in de Joodse traditie klinkt uit de Sjechina. De goddelijke aanwezigheid die Noach ook ervaren moet hebben toen hij de stem van God hoorde. In het evangelie van Johannes lezen wij de neerslag van zo’n mystieke ervaring. Er klinkt een stem. En die stem zegt ‘vrede’ in de barre werkelijkheid van wonden en littekens, van verraad en verloochening en van ongeloof dat alles nu ophoudt. ‘Vrede’, er is geen ander woord voor zo’n mystieke ervaring. Je kunt het zingen. Dit doet Leonard Cohen in ‘There’s a crack in everything.’ Je kunt het zien in kunst. Zoals de blikseminslag op ons tabernakel-deurtje.

Christus als Heer van de Wereld Thomas kan alleen maar uitroepen ‘Mijn Heer, mijn God’. Mijn Heer en mijn God, dat is in het Hebreeuws: Adonai en Elohim, de manier waarop de twee meest voorkomende Godsnamen in het eerste testament worden uitgesproken. Zoals hij daar verschijnt als de Opgestane, staat hij geheel en al in het licht van de Eeuwige. Wie hem heeft gezien, heeft de Vader gezien, zegt dezelfde evangelist Johannes. Wij zijn gewend om deze woorden te lezen als uiting van stamelende ontzetting. Mijn Heer en mijn God. Maar dit zijn ook de woorden waarmee de keizer in Rome zich aan laat spreken, de keizer liet zich graag op zijn goddelijke oorsprong voorstaan. Daarom is de grondbelijdenis van de christelijke gemeente per definitie ook altijd een politiek statement. Die grondbelijdenis luidt immers: Ièsous Kurios. Jezus is Heer. En dat wil zeggen, niet Caesar, niet de keizer, maar Christus met zijn boodschap van Vrede. Zo krijgen wij zicht op waarachtig leven, waarin we niet onderdrukt hoeven te voelen door machten die ons met de dood bedreigen.

Geloven is … Op deze achtste dag van Pasen, beloken Pasen, gaan de luiken van de altaarstukken weer dicht. Nu is het verhaal van kruisiging en opstanding niet meer zichtbaar. Nu komt het erop aan wat wij geloven. Graag herhaal ik de woorden uit het begin van Christian Wiman, uit zijn boek ‘Mijn heldere Afgrond’:

Dikwijls denk ik dat het geloof niet meer – en niet minder – inhoudt dan geloof in het leven, in het doorgaan ervan, in een of ander bewustzijn (…) dag voor dag en dood voor dood, van een tedere en onverwoestbare energie die, voor wie het kan zien, liefde is.