Joh. 17, 1 – 13

Jan Renkema

Wees of erfgenaam?

Deze zevende zondag na Pasen heet ook ‘wezenzondag’. De leerlingen blijven, drie dagen na Hemelvaart, zonder leermeester verweesd achter. En de Heilige Geest die hen is toegezegd, de kracht van omhoog waarmee zij zullen worden bekleed, hebben zij nog niet ontvangen. De leerlingen leven zonder hun leidsman en hebben nog geen ervaring van Heilige Geest.

Hoe zit dat met ons, hier en nu. Ook wij kennen die ervaring: leven in verlatenheid, zonder richtinggevende stem, zonder geest. Wat kunnen wij bidden? Misschien wel dat de inspiratie van Jezus ons mag blijven vormen nu wij het zelf moeten zien te redden in een leven en in een wereld waarin God zo ver te zoeken is, waarin God zijn gelaat heeft verborgen.

Wezenzondag. Wij zijn drie dagen geleden wees geworden. Wat doe je als wees? Wat doen kinderen als hun ouders zijn overleden? Een van de eerste dingen die je als erfgenaam doet, is het testament lezen van degene die jou is voorgegaan, je erflater. Wie weet, vind je in dat testament een aanwijzing hoe je je verweesdheid en verlies aan orientatie te boven kunt komen, hoe je verder kunt leven.

Het geestelijk testament van Jezus Het evangelie geeft ons het geestelijk testament van Jezus. Dit is het langst opgetekende gebed van Jezus in de Bijbel. Het zijn de laatste woorden van Jezus voor hij gevangen genomen wordt. Het zijn de laatste woorden van iemand die weet dat hij gaat sterven, nog geen 24 uur later! Het is een gebed voor de achterblijvenden. Zo ging dat in die cultuur. Denk bijvoorbeeld aan Jakob op zijn sterfbed en de zegen over zijn kinderen.

Jezus zal op het moment voor zijn arrestatie zeker gebeden hebben. Maar dat gebed zal niemand letterlijk hebben onthouden. Wij lezen hier de reflectie van de evangelist Johannes. Het belangrijkste is dat dit geestelijk testament een gebed is, een gebed voor de nabestaanden. Het gebed is niet zo eenvoudig om te aanhoren.

De passage leert ons meer over de relatie tussen Jezus en God, waarbij duidelijk wordt dat ze één zijn. Jezus vraagt ook aan God om zijn leerlingen, die in Hem geloven, op te nemen in diezelfde eenheid. De tekst nodigt ons uit om na te denken hoe wij in diepe verbondenheid met Jezus en God kunnen leven. Ik wil proberen drie woorden te laten oplichten.

Drie richtinggevende woorden Het eerste woord is Vader. Ik vraag wel eens aan iemand: Als jij het Onze Vader bidt, wat ervaar je dan bij ‘vader’? Dan krijg ik vaak als reactie: Ja, dat is niet letterlijk, dat moet je zien als aanspreekvorm, daar moet je niet te veel achter zoeken. Maar, ik ben daar niet zo zeker van. Iemand die je niet kunt zien, ‘Vader’ noemen. Dat is een diep mysterie van

intimiteit. Niet, ‘schepper van de wereld’, niet ‘almachtige’, niet al de andere namen of zoals de dichter Vroman probeert die in zijn Psalmen God als ‘Systeem’ aanspreekt. Maar geloven dat God jou als zijn kind ziet. Dat is een mysterie. Dat is zo’n groot mysterie dat Jezus zichzelf niet aanduidt met ‘ik’, maar met ‘hij’: Hij heeft van U Vader macht ontvangen om mensen het eeuwige leven te schenken.

Wat is dat eeuwige leven? We moeten dan bijbels gesproken niet denken aan een leven buiten de tijd maar aan een bestaan dat eeuwigheidswaarde heeft. Eeuwig leven is leven uit één stuk. Dat leven kan niet meer stuk. Zo’n leven valt ons ten deel wanneer wij God ‘kennen’, dat wil zeggen: wanneer wij wandelen met God. Eeuwig leven heeft een mens wanneer hij of zij leeft met de Eeuwige. En dat God ‘kennen’ wordt omschreven als ‘U in Mij’ en ‘Ik in U’. Dus God in mij en ik in God, in die eenheid raken wij aan het eeuwig leven.

Eenheid is in dit gebed van Jezus een sleutelwoord. Dit wordt wel verklaard uit de situatie van de jonge christengemeente van Johannes, waarin de onderlinge verschillen heel groot waren. Eenheid maakt het wezen en het bestaansrecht van de gemeente uit, ook van ons als geloofsgemeenschap. Daarom zingen we straks ook het lied ‘Mogen allen één zijn’. Eenheid betekent niet dat alle leden van een gemeenschap als deze het over alles met elkaar eens moeten zijn. Niet een eenheid van denken of voelen staat in het evangelie voorop, maar een eenheid van handelen. Eenheid houdt in dat het handelen van de gemeente gekenmerkt wordt door onverdeelde liefde, dienstbaarheid, solidariteit jegens de ander die zo anders is! Daarmee maakt Johannes ons duidelijk dat het in een gemeenschap van gelovigen nooit om de gemeenschap als zodanig gaat. Het gaat, net als in het geestelijk testament van Jezus altijd om de ander, en dan in het bijzonder om de ander die in nood is, de ander die arm is, de ander in droefheid, in kwetsbaarheid.

En we laten maar in het midden of die gerichtheid op de ander in eenheid nu per se kerkelijk of christelijk is. In het zojuist verschenen interview met de burgemeester van Valkenswaard in het kerkblad Kempenbreed, noemt de niet-kerkelijke burgemeester dit: ‘het onzichtbare zichtbaar maken in solidariteit’.

De ervaring van de levende Christus Terug naar het begin. Wij zijn wees, na Hemelvaart. Hoe kunnen wij nu hem meedragen in ons hart? Hoe kunnen wij zijn nalatenschap levend houden? Daarvoor kunnen wij als leerlingen inspiratie halen uit het geestelijk testament van onze leidsman. Daarin staat onder meer: In de ander ontmoet je de Ander-met-een-hoofdletter: God. Daartoe zingen wij straks ook ‘Heer Jezus, Gij verrezen’.

Graag besluit ik met enkele woorden van de filosofe Désanne Brederode over haar levensbeschouwing, uit Trouw van 8 mei:

Ik probeer niet in de eerste plaats christen te zijn, ik heb de ervaring van de levende Christus nodig om van een mens een medemens te worden. Hoe dat werkt: Christus lijdt in ieder mens die lijdt, en troost en bemoedigt ieder mens die wil bijdragen aan het verzachten van het lijden.

Vader, mogen wij zo in eenheid deel krijgen aan het eeuwige leven. Mogen wij zo de nalatenschap van Jezus in onszelf verwerkelijken, in onszelf levend houden, niet als een wees maar als Uw erfgenaam.