Mt. 10, 16 – 33

Tineke Renkema

Eerste lezing Jeremia 20 : 7 -13

Evangelie Matteus 10 : 16 – 33

Datum: 21 juni 2026

Overweging door Tineke C.M. Renkema-Boersma

Over gezonden worden; bang zijn en niet doodgaan aan angst.

Jeremia is een geroepen mens, vanaf de moederschoot Hij verzette zich aanvankelijk hevig tegen deze stem die hem riep. Ja, hij was bang, maar kon uiteindelijk niet anders dan ja zeggen, tegen de angst in, onder de belofte dat God hem nabij zou blijven.

Jeremia was niet voor niets bang, want hij kreeg als opdracht het volk te waarschuwen voor het komende onheil van de ballingschap. Een pijnlijke boodschap die niet gehoord wilde worden. Wij kennen dat. Ook wij worden geconfronteerd met pijnlijke boodschappen over hoe mensen elkaar bezetten en bezitten, hoe wij omgaan met elkaar en hoe wij de aarde uitputten. Onze kinderen en kleinkinderen zullen de gevolgen moeten dragen. Er zal veel moeten worden afgebroken om opnieuw weer op te kunnen bouwen. Dat was de boodschap ten tijde van Jeremia. Dat is de boodschap nu, ook aan onze gemeenschap.

De boodschapper van het slechte nieuws hoeft bepaald niet altijd te rekenen op waardering, zo ondervond Jeremia. Het tegendeel is waar. We kennen dat mechanisme: Iemand wordt vereenzelvigd met de pijnlijke boodschap, die hij over het voetlicht brengt. In plaats van gehoord en opgenomen, is het niet ongebruikelijk dat de boodschapper van het slechte nieuws genegeerd wordt, onderdrukt, de mond gesnoerd.

Jeremia ervaart het aan den lijve: Zijn boodschap over de komende ballingschap zal hem niet in dank worden afgenomen. Maar hij staat daar en kan niet anders! Er brandt een heilig vuur in hem. Jeremia vertrouwt op de belofte van God, dat God bij hem zal blijven. Dat God hem zal maken tot een onneembare stad, een ijzeren zuil, een bronzen muur.

Jeremia gaat, waar een mens eigenlijk niet kan, niet wil gaan Maar hij gaat omwille van! Een heilig moeten.

De tekst uit Jeremia vormt een stevige grond voor wat we horen bij de evangelist Matteus. De leerlingen van Jezus worden door Hem uitgezonden als schapen onder de wolven. En Hij zegt hun onomwonden dat hun zending uiterst onaantrekkelijk zal zijn, want … er zal veel kwaad aan hen gebeuren!.

Ze zullen op stevige grond moeten staan. Tegelijkertijd mogen ze erop vertrouwen dat de Geest hen zal leiden. Dat die Geest hun de goede woorden in zal geven Woorden die liefde en waarheid openen. Ze zullen worden gehaat, ja zeker, maar … Maar er is die belofte dat ze uiteindelijk in leven zullen worden gelaten, gered!

Er moet een heilig vuur branden om je zo te laten zenden Vertrouwen op God die je maakt tot een onneembare stad, een ijzeren zuil, een bronzen muur Een leven leven van iemand die weet heeft waartoe hij leeft Een leven leven leven niet voor jezelf alleen. ‘Wees niet bang!’ zegt Jezus tegen zijn leerlingen, tegen ons. En als je dan toch bang bent? Dan kun je je angst toevertrouwen aan je naaste, aan God Ik ben bang, en toch, en toch Dat is wat Jezus zelf deed, toen zijn uur gekomen was en hij bang was.

We horen het in een hertaling van Huub Oosterhuis van Psalm 23 Ik zal bang zijn. Ik zal bang zijn moet ik de afgrond in, de doodsvallei Ik zal bang zijn…

Maar daar blijft het niet bij.

De dichter vervolgt: Ben jij naast mij, ik zal niet doodgaan van angst.

Wel bang zijn, maar niet doodgaan aan die angst? Je moet onderscheiden om welke angst het gaat, zegt Jezus Waar je echt bang voor moet zijn, is datgene wat niet alleen je lichaam maar ook je ziel in gevaar brengt!

Maar wat is dan je ziel? Je ziel is dat orgaan in ons dat op God is afgestemd. Je ziel is dus dat in jou en mij wat afgestemd is op de stem van de liefde en de waarheid, de rechtvaardigheid en de goedheid. Als je ziel door de angst in gevaar komt, dreigt de verbinding met God te worden verbroken. Ja, zegt Jezus dan ben je echt in gevaar.

Het is dan een reddende gedachte, dat als ik God blijf aanspreken, ook al ervaar ik dat helemaal niet ook al weet ik het helemaal niet meer, dat alleen al door God aan te spreken die verbinding aanwezig blijft. ‘Mijn God, mijn God’

Dit is wat Jezus deed. Zo bewaarde Hij zijn ziel in de nacht.

Bang zijn maar niet doodgaan aan angst, zo zendt Hij zijn leerlingen op weg. Zo zendt Hij ons op weg. Mogen wij een plaats zijn waar we samen leren hoe te bewaren onze ziel, hoe we elkaar kunnen behoeden en bewaren in alles wat we meemaken, zó dat onze ziel afgestemd blijft op God ook al weten wij het niet meer, ervaren wij dat niet altijd en dan toch: afgestemd blijven op die Stem die dan hier, dan daar klinkt tussen ons in.

Dan is het een goede vraag, die we ons zelf moeten stellen: Zijn wij nog afgestemd? Horen we die stem tussen ons in? Hebben we weet van dat vuur dat brandt in jou, in mij, tussen ons in? Zo worden we gezonden vandaag op weg naar een nieuw toekomst. Mag het zo zijn.