Luc. 6, 39 – 46
- Lezing
- Jezus Sirach 27, 4 - 7
Willen we echt leerlingen van Hem zijn, dan betekent dat: horen én doen
In het boek Wijsheid staat een prachtig gebed dat mij heel dierbaar is. Ik laat het hier verkort horen:
God van mijn vaderen, geef mij de wijsheid die staat naast uw troon. Ik ben uw dienaar, menselijk zwak, en weinig bedreven in rechtspraak en wet. De wijsheid is bij U en kent al uw daden, zij was er toen U de wereld schiep. Zend haar omlaag uit uw heilige hemel, laat zij mij bijstaan, mijn werk begeleiden, opdat ik weten mag wat U behaagt.
Tot zover het citaat. De wijsheid wordt hier als een persoon voorgesteld, in het Grieks Sofia, vrouwelijk dus. Die naam geven wij ook nu nog aan een vrouw. Dit gebed over de wijsheid kan door iedereen uitgesproken worden, maar het raakte mij in een periode dat ik veel werk had, en ik om wijsheid vroeg. Ik moet hier aan denken naar aanleiding van de lezingen.
De eerste lezing is namelijk genomen uit het boek De Wijsheid van Jezus Sirach, een boek dat vol staat met spreuken die een levenswijsheid weergeven. De enkele spreuken die wij gehoord hebben, zijn niet zo duidelijk en zitten vol beelden. Misschien is het beeld van de zeef nog het duidelijkste. Als je schudt aan een zeef, wordt het goede van het kwade geschift; het kwade valt af en het goede blijft behouden. Zo is het met ons mensen. De lezing spreekt over berekeningen, maar die zijn de vrucht van de plannen van het hart. Dus het uiterlijk tegenover het innerlijk. Als iemand een idee naar voren brengt, moet je dat eerst beproeven: is het alleen maar een mooie gedachte of komt het voort uit het innerlijk van die mens? Is het dus een levenswijsheid die beproefd is?
In het Evangelie zijn ook enkele wijsheden bijeengebracht; het zijn spreuken die Jezus gezegd heeft aan het eind van de Veldrede. Jezus is hier een wijsheidsleraar, zoals ook in het Thomasevangelie allerlei gezegden bijeen gebracht zijn. De vorige twee zondagen hebben we al gehoord over de Veldrede. In het eerste deel sprak Jezus de vier zaligsprekingen uit en de vier wee-uitroepen. In het tweede deel sprak Jezus over ons handelen: dat we kwaad niet moeten vergelden met kwaad, maar de cirkel van geweld moeten doorbreken. Nu horen we het slot van de Veldrede, dat nog een paar spreuken bevat die de uitwerking zijn van het voorafgaande. Het zijn er vier, maar ik richt mijn aandacht op één daarvan. Ik laat die nog een keer horen, in de oorspronkelijke vertaling:
Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? …Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in het oog van je broeder of zuster te verwijderen.
Het gaat over de opbouw van gemeenschap, over broederschap/zusterschap. Hoe spreken we elkaar aan, al je iets verkeerds ziet bij de ander? Geven we onmiddellijk kritiek of laten we het eerst bij ons binnenkomen? Op zich genomen is het geven van kritiek best risicovol: enerzijds weet je niet zeker of jijzelf wel de goede blik hebt en anderzijds weet je niet hoe die ander de kritiek zal opnemen. Wordt die boos of accepteert die het? Het gaat er dus om elkaar aan te spreken op een goede manier.
Misschien kan ik een ervaring vertellen. In het begin was ik hier in exodusperiode, een driemaandelijkse oriëntatie. Degene die de leiding had was zuster Annunciata. Met haar was ik geregeld in gesprek voor begeleiding. Op een bepaald moment zei ze tegen mij: “Jij praat alsmaar óver mensen, maar niet met mensen. Zeg eens: wat vind je van mij?” Wow, dat was een duidelijke confrontatie. Ik weet niet meer wat ik toen gezegd heb, maar later wist ik: er is iets fundamenteels doorbroken; het opende voor mij het echte broeder- en zusterschap. Achteraf was ik was er bijzonder blij mee. Het is kwetsbaar om zo met elkaar om te gaan, maar het is wel betrouwbaar. Het leert je zelfkennis en zelfkritiek, en zo help je mee aan de opbouw van gemeenschap.
Geef mij de wijsheid, zo klonk het gebed aan het begin. Geef mij de wijsheid om de woorden van Jezus te kunnen verstaan én ze in praktijk te brengen. Want over dat laatste gaat het aan het slot van de Veldrede, waar Jezus zegt: Waarom roepen jullie Heer! Heer! tegen mij en doen jullie niet wat ik zeg? Willen we echt leerlingen van Hem zijn, dan betekent dat: horen én doen; naar Hem luisteren en zijn woord in praktijk brengen. Mag het zo zijn.