Joh. 8, 1 – 11
- Lezing
- Jesaja 43, 16 – 21
Woorden door de wind verwaaid, maar in de ziel ingeschreven
Goede grond om op te staan, die eerste lezing uit Jesaja: ‘Zie ik, de Heer, ga iets nieuws beginnen. Het is al begonnen zie je het niet.’ Er wordt gesproken over een weg, die wordt aangelegd dwars door de woestijn, dwars door dat land van niets en niemand. Een weg dwars door die perioden in ons leven waar er sprake is van dofheid, leegte en schraalheid. Iets van die nieuwe weg wordt ons getoond door de woorden van het evangelie van vandaag. Waar Jezus gaat, daar opent zich een nieuwe weg. Laten we luisteren.
Jezus is al vroeg weer in de tempel van Jeruzalem. De dag daarvoor was hij daar ook al in dat centrum van religieus leven. Er zijn opnieuw velen die naar hem kwamen luisteren. Velen die zich door hem bevrijd voelden van die al te benauwende, rigide opvattingen van de wet, waaronder zij gebukt gingen, waaronder hun geloof, woestijn geworden was, dor en leeg. Door Jezus wijze van onderricht opende zich een nieuwe weg. Anderen keerde zich tegen hem. Er ontstond verdeeldheid. En de religieuze leiders, die er op toe moesten zien dat de kostbare traditie bewaard bleef, stonden tegen Jezus op, omdat zijn onderricht in hun ogen in strijd was met die wetten door Mozes gegeven. Zij willen hem grijpen. De spanning nam toe. Die avond vertrok Jezus naar de Olijfberg, naar de stilte, om te bidden. Het zal niet de laatste keer zijn, dat hij daar komt. Maar het is nog niet zover.
Het verhindert Jezus niet de volgende dag zich weer te begeven naar de tempel, gedreven als hij is door dat heilige moeten. En al weer zijn daar velen die komen luisteren naar zijn onderricht. De Farizeeën en Schriftgeleerden zien hun kans schoon. Zij brengen een vrouw bij hem die zij hebben gegrepen, betrapt op overspel (opvallend gegeven: de man blijft buitenspel). Maar gaat het wel om deze vrouw? Of, en dat is waarschijnlijker, is deze vrouw voor hen een zeer dankbare aanleiding om Jezus’ ontrouw aan de wet onontkoombaar aan het licht te brengen om hem dan daarop te kunnen veroordelen. Dat laatste betekent dat deze vrouw misbruikt wordt voor wat de Farizeeën voor ogen staat: Jezus betrappen, in hun ogen, op wetsverkrachting. Een zeer duister spel wordt door hen hier gespeeld: oneigenlijke motieven, ten koste van! met, misschien moeten we dat blijven veronderstellen, een heilig doel voor ogen: hun trouw aan de wet aan Mozes gegeven, een wet in stenen platen gegrift.
We zien de vrouw staan. Zie haar staan. Haar leven staat op het spel. Ze hoort de vraag aan Jezus gesteld: Volgens de wet van Mozes moet zij worden gestenigd, wat vindt U ervan? Stil wordt het. Als de dood zo stil. Doodstil. Dan zien we Jezus zich buigen. Je moet het voor je zien. Zijn ogen verbreken het contact met de vrouw, met de vraagstellers, met de omstanders. Gaat hij naar binnen om zijn antwoord af te lezen in zijn ziel, die ziel die
afgestemd is op God? Dan schrijft Hij in het zand. Niet op stenen platen worden zijn woorden gegrift, maar woorden, die de volgende dag niet meer te lezen zijn, door de wind verwaaid, maar in de ziel geschreven. Geen zwart-wit antwoord, geen absoluut antwoord, maar tastend en zoekend, onderscheidend, om een weg te zoeken die opent, nieuw leven mogelijk maakt, weg uit de verstarring, waar zowel de een als de ander in gevangen zit.
Dan horen we hem zeggen: Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Ja, ook dat staat in de wet. Diegene die iemand aanklaagt, moet ook de eerste steen werpen. De vrouw blijft daar staan, daar in het midden met haar zonde, haar slordige omgang met de liefde. Maar de blikrichting wordt veranderd naar diegene die haar aanklagen. Zullen zij, die zelf niet zonder zonde zijn, die steen durven werpen? Zullen wij, die zelf niet zonder zonde zijn, de steen die zich wellicht in onze handen bevindt, werpen? Zullen wij veroordelen waar wij zelf veroordeeld zouden kunnen worden?
Weer schrijft hij in het zand. Is die tweede keer, om aan hen, die op het punt staan de vrouw te veroordelen, en de steen zouden willen gooien, om aan hen de gelegenheid te geven tot inkeer te komen? Is het om ons de gelegenheid te geven, waar we veroordelen en iemand wegzetten om in stilte weg te gaan en onze eigen zonden op ons te nemen? Of, stil geworden, nog stiller: Gaan we misschien met onze zo onvolkomen liefde naast die vrouw staan? De religieuze leiders vertrekken in ieder geval, maar het zal niet voor lang zijn.
Het stille gebaar van Jezus leidt niet tot uitzuivering, tot in en omkeer, maar verkeert in het tegendeel. We weten het. Het zal gaan van kwaad naar erger. Ze zullen hem doden.
En de vrouw. Daar staat zij nog. Oog in oog met Jezus. ‘Ook ik veroordeel u niet’, horen we Hem zeggen, gevolgd door : ‘Ga heen en zondig niet meer’. De zonde wordt niet ongedaan gemaakt, geen zand erover. Jezus oordeelt, maar veroordeelt niet. Er is geen vrijbrief om slordig met de liefde om te gaan, maar wel vrijspraak. In plaats van een weg die wordt afgesloten door een definitieve veroordeling, opent hij een nieuwe weg, die van de barmhartigheid. We kunnen het aflezen aan zijn ogen. Hij bewaart de liefde.
Die nieuwe weg opent zich doordat Jezus de wet van Mozes eerbiedigt door iets als overspel, ontrouw aan het verbond niet zonder consequenties te laten. Wij worden wel degelijk tot verantwoording geroepen, maar tegelijkertijd wordt alles in het werk gesteld om die barmhartigheid van God te laten oplichten, om als wij ons bekeren ons te bevrijden van onze last.
Kunnen wij, als wij zelf worden aangesproken, net als de vrouw, blijven staan en niet weglopen van diegene die zijn oordeel over ons uitspreekt? Kunnen wij oog in oog blijven staan om de liefde te herwinnen? Jezus opent deze weg. Kunnen wij oordelen over iemand, waar dat op zijn plaats is én tegelijkertijd in het zand schrijven om de liefde te winnen?
Blijf niet staan bij wat eertijds gebeurde, laat het verleden nu rusten. Zie, ik ga iets nieuws beginnen, met jou, met jou, met jou.