Luc. 18, 9 – 14

Annet van Straaten
Lezing
Sir. 35, 12-14 + 16-18

Meditatie

Dit Evangelie zegt op fijnzinnige wijze iets over bidden en over hoe in het leven te staan. Dat is hier nauw aan elkaar verbonden. Die Farizeeër wordt me als een spiegel voorgehouden, maar bijna een vervormde spiegel, bijna een lachspiegel, zó overdreven! Misschien móet Jezus wel zo overdrijven om tot ons door te dringen.

Ik stel mij voor, dat ik die Farizeeër ben. En dat Jezus deze gelijkenis aan mij verteld, als één van die sommigen, die met het oog op hun eigen gerechtigheid anderen minachten. Ik zal niet zo snel bidden als die Farizeeër, geloof ik. Maar ik herken zeker iets van de sporen van zelfgenoegzaamheid, wat in het bidden bijna gênant wordt uitvergroot. Het roept schaamte op: ‘Ja, diep in mijn hart kan ik best weleens zo gênant groots op mezelf zijn ja. En op anderen neerkijken en hen niet nodig hebben.

Wat is het toch, dat als het mij goed gaat, ik langzamerhand het besef van die afhankelijkheid van anderen kan kwijtraken? Dat ik door voorspoed, gezondheid en succes het risico loop, om me onkwetsbaar te gaan wanen, onverslaanbaar? Zeker van mijzelf, mijn verworvenheden. Maar misschien is dit al te zwart/wit. Want misschien was die Farizeeër echt geen slecht mens. Het ligt genuanceerder. Als het mij goed gaat, wat God graag wil, moet ik er extra voor waken, om mijn afhankelijkheid van anderen en mijn kwetsbaarheid te blijven beseffen. Om me niet méér/beter te gaan voelen dan anderen.

Maar ook die tollenaar zit in mij. Al die momenten dat ik me bewust word van gemaakte fouten, van voorbijgaan aan anderen of minachting en daar spijt van krijg, dan besef ik mijn onafheid. Dan word ik kwetsbaar en raakt mijn leven aan het wankelen. En alles wat zo zeker was, stelt opeens niets meer voor; ik raak overgeleverd aan de mensen om mij heen, die mij heel kunnen houden of af kunnen breken. In die kwetsbaarheid heb ik God nodig. Besef ik hoezeer ik in mijn bestaan afhankelijk ben van hem. Dan kan ik me naar hem toekeren en weer zijn/haar kind worden. Die verhouding herstellen. En daardoor gerechtvaardigd worden. Gereinigd, hersteld worden.

Ja, beiden zitten in mij. Want op het moment, dat de Farizeeër zich zijn ongepaste arrogantie zou realiseren en zich daarover zou gaan schamen, wórdt hij de tollenaar. Word ík die tollenaar. En wie zegt, dat dat moment niet zou komen voor die Farizeeër? Is het niet een beweging die steeds plaatsvindt, tussen deze twee krachten in mij, in ons?

Het vraagt dus om weerkerende oefening om in de goede verhouding te blijven met onze Schepper. Het vraagt om steeds weer die berg op te gaan, om zoals klinkt in de eerste lezing: ‘Aan de Allerhoogste te geven, naar dat hij ons geschonken heeft.’ Heeft hij niet alles geschonken wat ik heb?

Én het is een weerkerende oefening om in de goede verhouding met elkaar te blijven. Dat vraagt, om te blijven beseffen dat we állemaal feilbare mensen zijn, elkaar daarmee te accepteren en steeds maar opnieuw te vergeven. Deze oefening kan pijnlijk zijn, vernederend én diepe vreugde brengen. Want, zo hoorden we ook in Jezus Sirach: Hij zal het ons zevenvoudig teruggeven. Daarom heb ik deze plaats, waar we samen in Gods ruimte zijn, zo hard nodig. Om de boodschap van God, zijn Aanwezigheid tussen ons in, te blijven horen, te blijven toelaten. En om mijn geloof hierin samen met jullie te kunnen blijven belijden, te vieren en door te geven.