Joh. 20, 19 – 31
- Lezing
- Handelingen 2, 42 - 47
Gered worden tot vrede
Vandaag is het de achtste dag na het feest van de Verrijzenis. Deze zondag heet in de kerkelijke traditie de zondag van Beloken Pasen. Wat wil dat zeggen? In Beloken zit het woord luik, en dat verwijst naar de twee zijluiken van een drieluik boven het altaar. Na het Paasfeest mochten de gelovigen nog een week genieten van de vaak prachtige opengeslagen drieluiken met beeldende informatie voor de ongeletterden over het mysterie van leven door de dood heen. Een week lang om na te gaan hoe wij energie kunnen vinden om na een grote teleurstelling op te staan, en weer zo veel mogelijk het gewone leven van alledag te hernemen, ook in deze tijd. Al tweeduizend jaar hebben miljoenen mensen zich laten inspireren door het verhaal van de Opstanding. Vandaag moeten wij dan toch ook kunnen zien, of tenminste vermoeden hoe dat zou kunnen. Dat maakt deze dienst bijzonder spannend.
In de eerste, zo bekende, lezing uit Handelingen over de groei van de eerste christengemeente was het net of ik een vers voor het eerst las. Het verhaal is bijna paradijselijk: mensen die bij elkaar komen en alles delen in eenvoud en vreugde. Ja, wie wil daar niet graag bij horen! Logisch dat veel mensen zich aansluiten. Maar toen las ik het laatste vers: ‘De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden.’ En toen viel mij het volgende in: Dus ik kan er alleen maar bij horen als ik tot het besef kom dat ik gered wil worden. En dat ik dat mezelf niet kan redden, maar dat ik de ander daarbij nodig heb. Maar waarvan wil ik dan gered worden? Ja, in deze tijd is het antwoord wel duidelijk: Ik wil gered worden van eenzame afgeslotenheid waardoor angst en neerslachtigheid de overhand dreigen te krijgen, van somberheid over de toekomst.
Als ik dat wat ons nu wereldwijd overkomt, niet inbreng in deze dienst, als wij dat hier niet doen, en jullie allen die thuis deze dienst meevieren, kunnen wij ons dan wel openstellen voor het Evangelie van vandaag? Ja, wij kennen ook dit verhaal. Daar zitten leerlingen van Jezus ook in zo’n situatie van angst, isolatie en somberte bijeen, en dan dat onbegrijpelijke! De bange afgeslotenheid wordt opengebroken door het zo onbegrijpelijk mysterie: De man die het voorbeeld was, die dé opening was naar echt leven, is wederrechtelijk vermoord, en juist die man horen ze nu één woord zeggen: Vrede.
Dit kan niet. Hier staat je verstand bij stil! En trouwens ook je gevoel! Want Jezus had in dit verhaal ook kunnen vragen: Waarom zijn jullie niet bij me gebleven? Wat hebben jullie mij aangedaan? En dan dat ene woord: Vrede! Het is alsof de Evangelist wel wist dat we zo niet in dit verhaal kunnen geloven. Want dan vertelt hij verder over Thomas.
Wie was die Thomas, die in de volksmond de ongelovige Thomas wordt genoemd? Hij heeft nog een andere naam, Didymus. En Didymus betekent ‘tweelingbroer’. Thomas
kunnen we misschien ook zien als ons alter ego. Thomas is niet de eerste de beste. Als Jezus naar het gevaarlijke Judea wil gaan om Lazarus terug te roepen uit de dood dan ziet niemand van de leerlingen dat echt zitten. Thomas zegt dan tegen de anderen: ‘Laten wij toch ook maar meegaan, om met hem te sterven.’ (Joh. 11:16) Dan ben je wel echt overtuigd. Maar Thomas blijft wel steeds krachtig vragen stellen. Wanneer Jezus zegt: ‘Jullie kennen de weg naar waar ik heen ga.’ dan zegt Thomas: ‘Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?’ (Joh. 14:5) Hij krijgt dan het zo raadselachtige en mysterieuze antwoord ‘Ik ben de weg.’ Na zo’n antwoord had Thomas ook verbijsterd kunnen afhaken. Maar nee, Thomas blijft. Hoezo ongelovige Thomas? Nee, Thomas is het toonbeeld van geloof. Hij blijft Jezus volgen en is bereid met hem te sterven. En let op: Thomas noemt hem ‘Heer’, en weet nu dat het om de weg gaat.
Op die Paasmorgen was Thomas er niet bij. Net zoals wij! Wilde hij alles in zijn eentje verwerken? Zit hij opgesloten in zijn verdriet? Anderen vertellen hem dat ze de Heer hebben gezien. Maar voor Thomas is dat te onwerkelijk. Alleen als hij de wonden kan aanraken, wil hij geloven in opstanding. Hoe moeten we dit verstaan? Velen van ons kennen het boek van de Tsjechische theoloog Thomas Halik uit 2018. Zijn boek over Thomas draag als titel ‘Raak de wonden aan’. Daarin zegt Halik onder andere, dat we juist nu het geloof van Thomas nodig hebben, omdat het bij Thomas gaat om de realiteit van het lijden. Juist die realiteit kan ons ‘aanraken’ tot bewogenheid, tot barmhartigheid. Niet voor niets wordt deze zondag ook de Zondag van Barmhartigheid genoemd. Geloven is meer dan het woord ‘vrede’ mogen horen. Geloven is ‘vrede’ aangezegd krijgen ín de wereld met onze wonden.
Terug naar het verhaal. Jezus komt bij zijn leerlingen en toont hun zijn wonden. Maar de leerlingen reageren daar niet op, die kijken er langs heen en zijn blij dat ze hem zien. Dan komt Thomas in het verhaal, en een week later is Jezus er weer, en zegt: ‘Raak mijn wonden aan’. En Thomas? Er staat niet dat hij de wonden ook werkelijk aanraakt. Nee, er staat een belijdenis. Hij roept uit ‘Mijn Heer, mijn God’. Toen Jezus nog leefde, noemde Thomas hem al zijn ‘Heer’. En nu voegt hij er ‘God’ aan toe. Wat wil dat zeggen? Ik voor mij hoor er dit in. Thomas heeft na het leven én lijden van Jezus in het zien van de wonden ervaren wat leven ten diepste is: een leven dat voor wie het kan zien liefde is. Zo ook mogen wij zien en raken aan God. En deze belijdenis is geen abstracte formule. In deze zo onvolkomen werkelijkheid is Jezus voor Thomas zíjn Heer én zíjn God geworden. Er is een persoonlijke relatie ontstaan, zoals bij Maria Magdalena, die uitroept ‘Rabboeni’: ‘mijn lieve meester’.
Tot slot nog dit. In dit verhaal staat dat Jezus tot driemaal toe ‘vrede’ aanzegt. Het lijkt zo gemakkelijk en zo verwarmend om elkaar de vrede aan te zeggen. Maar waarom hebben wij vrede nodig? Wij kunnen die vrede alleen maar binnen laten komen in een hart waar oorlog heerst. Net zoals de eerste christenen die tot de eerste gemeente toetraden omdat ze gered wilden worden. Vrede is voor mij ook: het niet meer in afgeslotenheid
vechten tegen gevoelens van onmacht of teleurstelling of angst in mij zelf, of tegen het beeld van wat ik allemaal fout heb gedaan of niet kan.
Waarin heb ik vrede nodig? Waarin heb jij vrede nodig? Laten wij, juist ook in deze tijd, vrede toewensen, de vrede van Christus.