Luc. 24, 13 – 35

Annet van Straaten
Lezing
Handelingen 2, 14 + 22 - 32

Loop met ons mee en blijf bij ons. ‘Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen.’ Dat doen wij, onophoudelijk. Er is zoveel gebeurt en nog steeds gaat dat maar door. We raken er niet over uitgepraat. Is er ruimte voor jou, Jezus, om bij ons aan te sluiten en mee te lopen, in alles wat we bespreken? …………………. Of doe jij dat allang en worden onze ogen ook verhinderd om jou te herkennen? ………………….. Loop jij met ons mee? En vraag jij dan aan ons, wat dat voor een gesprek is, dat wij voeren? Áls je dat zou vragen, zou ik zeker zeggen: ‘Ben jij dan de enige vreemde in Jerusalem? Dat je niet weet hoezeer wij in beslag worden genomen door de dreiging van het virus, door het verplicht thuis moeten blijven, het missen van onze sociale contacten, het kunnen aanraken van kinderen, kleinkinderen, vrienden, de angst voor de economische gevolgen, onze banen, onze pensioenen, de toekomst van onze kinderen….’ …………………… En wil je dan alsjeblieft niet weglopen, maar bij ons blijven. En mij aanspreken. ‘Oh, onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het geloof.’ Wil je dat liefdevol zeggen Jezus? Wij snakken naar jouw woord dat anders is dan wat wijzelf op kunnen laten komen. Breek in in onze benauwende vicieuze cirkels, die ons de adem benemen, maar waarin we onszelf en elkaar gevangen kunnen houden. ………………… En wat zeg jij nu tegen mij? Jij vertelt opnieuw die parabel van dat huis, dat gebouwd moest worden. En dat dat om stevige grond vraagt, zodat het stormen kan doorstaan. Je kijkt me aan. Daarna vertel je over de vogels in de hemel en de bloemen op het veld; ‘zij zaaien niet en maaien niet, maar worden toch verzorgd. Heb niet teveel zorgen over morgen, elke dag heeft genoeg aan zichzelf.’

En je legt een verkoelende hand op mijn verhitte voorhoofd; ik kom tot rust. ……………………………… Hoe ging het verder, destijds bij jouw leerlingen?

Jij liet je uitnodigen en je bent bij hen gebleven. Ik mag vertrouwen dat je ook bij ons zult blijven, als we dat vragen. Je deelde je leven, door het open te vouwen.

Je brak het brood, sprak er de zegen over uit en deelde het, wat de leerlingen deed herinneren aan die speciale laatste avond met jou. Ze herkende jou opeens, in dat gebaar. Ze werden erdoor verwarmd! Wij kunnen die herinnering aan jou nu niet vieren en doen. Maar wij gedenken het, nu en hier. Ik word stil, stil als een kind.

Dan komt de vraag op: en waar worden wij nu door verwarmd? Wat doet ons hart nú branden?

De kaart, die deze week zomaar in de bus viel. De roos, die gisteren werd afgegeven aan de deur. De bos bloemen die ik aangereikt zag worden door buren aan elkaar. De prachtige stoeptekeningen van de kinderen uit de straat met daarbij de #strijdtegencorona. De oproep in de krant aan de regering vanuit een breed scala van maatschappelijke en religieuze instellingen om kinderen uit de Griekse kampen op te nemen. Ben jij daarin, Jezus? Verschijn jij daar?

Ja, natuurlijk. Als jij daar niet bent, waar zou jij anders zijn. Zo dichtbij en concreet als jij toen bij jouw vrienden was, met luisteren, vertellen over de onderstroom in het leven, met breken van het brood samen aan tafel, zo tastbaar in deze hartverwarmende gebeurtenissen ben jij nu bij ons. Help ons dan, om jou te herkennen. Om jou te doen en jou te zijn. Waar we zijn en zover we kunnen. En houdt daarbij jouw hand op mijn voorhoofd, op ieders voorhoofd, of schouder, of hart. Ben dichtbij ons, vul ons aan en vuur ons aan.