Joh. 14, 1 – 12
- Lezing
- Handelingen 6, 1 - 7
Laat je niet verontrusten
Tussen Pasen en Pinksteren horen we nu woorden van Jezus, voor het laatst bijeen met zijn leerlingen. Hij heeft hen de voeten gewassen en zijn woorden klinken als een geestelijk testament. Het zijn ook woorden van troost en bemoediging voor de tijd die komen gaat, de tijd van een definitief afscheid. En wij, wij horen die woorden nu in onze tijd, waar onze gewone manier van doen werd onderbroken, alles zo onzeker, zo anders.
‘Jullie moeten je niet laten verontrusten!’: zegt hij. Verbazingwekkende woorden als je heel verontrust bent en de werkelijkheid daar ook wel degelijk aanleiding toe geeft. We horen dat vaak uit zijn mond in tijden van beproeving: ‘Wees niet bang’, ‘ween niet’, wees niet bezorgd’ en vandaag dus ‘wees niet verontrust’. Wat doet hem dat toch zeggen, juist nu, op het moment dat zijn eigen leven op het spel staat? Onvoorstelbaar! Jezus weet, hoezeer angst, verontrusting, verdriet je helemaal kan bezetten, je je volkomen doet afsluiten, je aan angst ten prooi kan vallen. En dat Hij zijn leerlingen en ons, 2000 jaar later, laat weten: Daartoe ben je niet bestemd ! Je bent geroepen om te Leven, niet om opgesloten te raken. Je bent geroepen om te Leven, niet om, met angst in het hart, uit alle macht te willen behouden ‘al wat je hebt en bezit’ en alles te doen om dat maar niet te verliezen. Mens durf toch te leven! Ja, zo gaat hij zijn leerlingen voor, zo gaat hij jou en mij voor. Hoe verontrust jij en ik ook zijn, en hoezeer de realiteit dat ook oproept, laat niet toe dat je je bestemming verliest!
Jezus laat het niet bij deze roep omwille van Leven. Ook troost hij zijn leerlingen door te zeggen dat hij een plaats (een woning) gereed zal maken voor hen in het huis van zijn Vader om hen uiteindelijk mee te kunnen nemen, dáár waar hijzelf is. Vroegen zijn leerlingen ooit, in het begin van het Johannesevangelie, niet aan hem ‘waar woont u?’ En hadden zij niet met eigen ogen gezien, echt gezien dat hij zelf ergens woonde, ergens thuis was. En is het niet daarom dat ze bij hem zijn gebleven? Nu hij binnenkort niet meer in hun midden zal zijn, maakt hij hen deelgenoot van zijn vertrouwen dat zij ook zullen komen, dáár waar hij zelf thuis is: Bij God geborgen, in zijn liefde, stil als een kind.
We horen Thomas vragen: Maar hoe zal dat dan geschieden, Heer? Waar gaat U dan naar toe? En wat is dan de weg? Een zo invoelbare vraag als je zó hevig verontrust bent, dat je geen toekomst voor je ziet, niet meer weet wat te doen, hoe te gaan, als Hij niet meer in hun leven zou zijn.
Ik ga ervan uit, ik weet, dat die vraag van Thomas naar wat, in vredesnaam, dan toch de weg is, dat die vraag zich ook tussen ons in voordoet en zich zal voordoen. Dan in de één en dan in de ander, in jou, in mij,, in tijden van beproeving door verlies van bestaansmogelijkheid of ernstige ziekte, verlies van een geliefde, of van toekomst voor de gemeenschap. Het antwoord van Jezus aan Thomas is dan ook een antwoord op ónze vraag, waar wíj met lege handen staan, de weg niet meer weten, niet meer weten hoe te gaan.
Ik ben de weg, Thomas. Ik ben de weg, de waarheid en het leven, horen we Jezus zeggen. Ik ben zelf de weg naar dat thuis, naar dat geborgen zijn in mijn Vader. Je hebt meegemaakt de manier waarop ik leef. Dat is de weg. Ik laat me niet verontrusten, want ik blijf in verbinding met mijn Vader. Ik weet me geborgen, wat er ook gebeuren zal, de mantel van Gods liefde om mij heen geslagen. Zo ben ik zelf plaats geworden van Gods liefde.
Maar opnieuw klinkt er een vraag, nu van Filippus, een vraag en een groot verlangen: Maar Heer, waar is dan de Vader? En dan is daar Zijn ongehoorde antwoord: Als je mij ziet, zie je de Vader. Je hebt het toch gezien en ervaren, Filippus? Je hebt het toch gezien, mensenkind. De Vader en ik: een wederzijdse liefde, een wederzijdse geborgenheid. Hij een gebeuren in mij, ik een gebeuren in Hem. Jij hebt er toch weet van Filippus? Je lichaam weet het toch ook. Heb ik ook niet jouw voeten gewassen? Ben jij ook niet in mij geborgen? Ben je ook niet in mij, bij mij thuis? Je kent me toch? Je hebt het toch ervaren? Ja, je hebt gelijk. Nu komt het erop aan, als ik er straks niet meer ben! Op al dan niet vertrouwen in mij, en dus ook op de Vader, die ook in jou woont. Vertrouwen op die werking van de Vader in mij. Vertrouwen op die werking van mij in jou, vertrouwen op wat je zelf gezien en ervaren heb toen jij met mij onderweg was? Waag je het vertrouwen, Filippus? Natuurlijk ben je bang. Ik zal ook bang zijn, maar die angst weet ik geborgen in, die ik mijn Vader noem. Hij bergt mijn angst. En jij, Filippus, en jij verontruste mens: Jij kunt je angst, je verontrusting, die er is en zal zijn, bergen in mij. Je zult niet doodgaan van angst.
Ja, jullie mijn leerlingen, jullie mensen die hier en nu luisteren, ik zal terugkomen en jullie meenemen naar waar ik nu ben. Een belofte, een grote troost. Meegenomen worden waar hij is. Zelf een plaats worden waar God gebeurt. Die weg gaan die voor jou, uniek als je bent, is bestemd. Samen een plaats worden van geborgenheid, een mantel van liefde. Daarnaar op weg zijn. En waar dat gebeurt, hem herkennen: Jezus Christus in wiens naam wij samenleven is hier aanwezig. Laat niets je verwarren. Mag het zo zijn.