Mat. 10, 26 – 33

Petra Speelman
Lezing
Jeremia 20:10 – 13

HEILIG VUUR

Mijn moeder was een sociaal bewogen vrouw met een enorme betrokkenheid met name op vluchtelingen en op mensen met een beperking. Dat had te maken met haar eigen geschiedenis. Haar grootouders van moeders kant waren aan het begin van de 20e eeuw naar Brazilië geëmigreerd om daar toekomst op te bouwen. Volkomen berooid waren ze teruggekeerd naar Rotterdam en hadden hard moeten werken om opnieuw eigen bestaan op te bouwen. Ze had dus gezien hoe het was om risico te nemen, om ontheemd te zijn, om buitenstaander te zijn. Mijn broer, haar zoon, heeft het syndroom van Down, en in het verlengde van de zorg voor hem was goede zorg voor alle mensen met een beperking belangrijk in haar leven Een grote bevlogenheid en taalvaardigheid om in de pen te klimmen als ze op die terreinen onrecht zag. Ze heeft in haar leven een enorme hoeveelheid brieven geschreven aan instanties, ministers en burgemeesters, aan de koningin. Onvermoeibaar. Vanuit bewogenheid en strijdvaardigheid, die geworteld waren in haar geloof. Geloof in een betere wereld, en geloof in God die mensen roept om daaraan mee te werken. Een bijzonder mens.

Zien dat het anders moet en kan, zien waar het heen moet. Niet omdat ik dat wil, maar omdat er een groter perspectief is dat eigenbelang overstijgt. En een stem opwelt in je binnenste, een stem uit de hoge. Die stem moet krijgen! We horen in alle tijden tot op vandaag mensen die zo spreken, die hun stem verheffen, de straat opgaan. Het onrecht aanwijzen en roepen dat er een keer moet komen. En of je nu zelf spreekt, of aangesproken wordt, het gaat altijd om een krachtige beweging. In de Bijbel wordt die roep in je binnenste die naar buiten moet, de roep om recht en vrede verbonden met de stem van God. In de lezingen van vandaag ontmoeten we door God aangeraakte, geestdriftige mensen die geroepen zijn, ieder op hun eigen manier. Geroepen om met dat perspectief voor ogen te handelen en te verkondigen. Ze spreken indringend, met grote urgentie: ‘keer om van een weg die naar onheil leidt, denk na, keer je naar bevrijding, naar heelheid, naar God die oog heeft voor de arme, die liefde is en barmhartig en die recht zal doen.

Jezus heeft zijn leerlingen geroepen en aangewezen als apostelen, gezondenen. Hij zendt hen om met Hem mee te werken in dat grote perspectief van het koninkrijk der hemelen. Om te verkondigen, en mensen heel te maken. Om opstanding gaat, bevrijding tot nieuw leven. Hij rust hen toe, voordat hij hen op weg zendt. In het gedeelte dat we vandaag horen uit deze Zendingsrede klinkt tot 3 keer toe: wees niet bang. Een scherp bewustzijn van Jezus dat deze boodschap en deze oproep tot omkeer op weerstand zal stuiten. Zoals Hij in zijn leven al bemerkte. Ook een scherp bewustzijn bij Matteus van de actualiteit van zijn tijd: vervolging vanwege de naam van Jezus onder zijn toehoorders. En toch: Wees niet bang.

Waar haal je dan dat lef vandaan, die onverschrokkenheid? Jezus spreekt in vertrouwdheid met zijn leerlingen, intimiteit tussen de meester en de leerling. Zoals die ook bestaat tussen Jezus en zijn Vader, die ook jullie Vader is, zegt Hij. Dat is de basis van vertrouwen voor de leerlingen. De grond die hen draagt, die zij in zich dragen. Hij gebruikt dat prachtige beeld van die kleine mussen, voedsel voor de armen, niks waard eigenlijk. Zelfs zij zijn geborgen in God, niets is er buiten de Ene om. Die kleine mussen die vallen, je haren op je hoofd: de Vader weet er van, is er bij. Met dat vertrouwen kunnen de leerlingen gaan, moeten ze gaan. Het is een heilig moeten. Wat in hun binnenste is geplant, een heilig vuur, dat moet er uit! Dat moet woord krijgen, dat moet gedaan worden. Met het oog op het koninkrijk van de hemel.

Dat vuur brandt ook in Jeremia. Het brengt hemzelf en zijn omgeving hevig in beroering. Jeremia heeft een stevige boodschap van Godswege, er dreigt enorm onheil en de mensen lijken er blind voor. Zijn noodkreet van ‘ontzetting overal’, dat is wat hen te wachten staat, die noodkreet werpen ze hem als spotnaam voor de voeten. Zo bespot worden, zo alleen komen te staan, dat is veel om te dragen. Vanuit zijn diepe wanhoop klaagt hij en klaagt hij de Ene aan dat hij alleen is komen te staan. Zijn geroepen zijn is een last geworden, die zwaar weegt op zijn schouders. Tegelijk ervaart hij ook dat hij niet anders kan! Even hiervoor vertelt hij dat hij echt geprobeerd heeft te zwijgen, om zelf maar niet meer te luisteren naar de Eeuwige, die die onrust in hem veroorzaakt. Maar, zegt hij: ‘dan laait er in mijn hart een vuur op, dan brandt het in mijn gebeente. Ik doe moeite om het in bedwang te houden, maar ik kan het niet’. Hij moet spreken. In de paar verzen die we vandaag horen worden we deelgenoot gemaakt van een bijzonder proces dat zich in Jeremia voltrekt: een beweging vanuit diepe verlatenheid, naar een openkomen uit die diepte van vertrouwen dat de Ene nabij is, en voor hem opkomt en redding brengt. Hij komt uit bij een diep vertrouwen op God, op de aanwezigheid van Geestkracht, als grond om niet bang te zijn. Opnieuw gaat het over intimiteit tussen de ene mens en de Schepper, de Vader, de Bron van leven. Dat is blijkbaar de basis vanwaaruit je als mens op weg kunt gaan. Met het visioen voor ogen dat dag aan dag vertaald wordt.

In onze actualiteit vandaag, in onze tijd en samenleven, dicht om ons heen en wereldwijd worden we uitgenodigd om te luisteren naar die stem in ons binnenste, om alert en wakker te leven in die intimiteit met de Eeuwige, met Jezus. Die stem die ons dan wekt om in de wereld te staan, met dat perspectief van het koninkrijk der hemelen. Om te roepen of om aangesproken te worden. Om in beweging te komen. Of liever gezegd: om mee te bewegen in die grote beweging van bevrijding, van God uit. Zonder angst, met vertrouwen en met vreugde. Mogen we zo onze weg gaan.