Luc. 2, 15 – 21
- Lezing
- Num. 6, 22 - 27
Ongebaande wegen, maar mét een belofte!
In de wensen die in de zegen uit Numeri staan vervat en die wij élk jaar weer krijgen, komt de Heer op allerlei manieren naar ons toe: deze Heer wil ons naderen, wil het goede voor ons, ons helpen, zich laten kennen (zijn gelaat tonen), vrede schenken. Hij wil, kortom, dat wij léven! Dat is de wens op deze 1e dag van het nieuwe jaar.
Deze zegenrijke woorden, door de eeuwen heen bewaard gebleven en steeds weer opnieuw over mensen uitgesproken, staan echter in een context. Mozes hoort de woorden van God en krijgt de opdracht om ze door Aäron en zijn zonen over het volk te laten uitspreken. Dat is niet zonder lading. Er zijn spanningen tussen Mozes en Aäron. Aäron volgt niet altijd datgene wat Mozes terugbrengt van zijn contact met de Heer. In díe context vraagt Mozes hem deze zegen uit te spreken. Aäron moet zichzelf naar de Heer keren; anders kan Gods vrede het volk niet bereiken. Een zegen uitspreken en ontvangen vraagt om een openstelling voor die zegen. Voor het volk én voor degene die hem uitspreekt.
Deze spanning tussen belofte en werkelijkheid is er altijd geweest. En daarín staat deze zegenwens. Wát er ook gaande is, God wil ons nabij zijn en zegenen met leven; ook weer in 2021!
Een vergelijkbare spanning is er in Lucas: in dreigende omstandigheden van een volk dat lijdt onder bezetting, klinkt er een Boodschap van hoop over een Redder die geboren is. Direct na het horen van die boodschap, pakken de herders zich op en gáán. Ze volgen de oproep en vinden wat hen is aangezegd: ‘in de stad van David, een kind in een kribbe. Een Redder die vrede zal brengen onder mensen in wie God welbehagen zal hebben.’ Ze vertellen wat ze gehoord hebben van de engelen. En dan gaan ze weer terug, vol van wat ze gehoord en gezien hadden, dat het precies was, zoals het hen was gezegd.
Deze herders waren de boodschappers op aarde, zoals de engelen boodschappers uit de hemel waren. God heeft beiden nodig. Beiden verspreidden ze het goede nieuws. Maria bewaarde de woorden van de herders in haar hart en overwoog ze. Het kan niet anders, of dit verhaal sloot aan bij het verhaal dat ze al eerder van een engel had gehoord: dat dit kind van de Heilige Geest afkomstig was. Over Jozef staat niets vermeld. Maar ook bij hem zal het verhaal van de herders aansluiting hebben gevonden: bij zijn droom om niet in stilte van Maria te scheiden, maar haar tóch tot vrouw te nemen. Deze ongehoorde gebeurtenis van herders die uitspraken doen over dit kindje past bij de eerdere ongehoorde gebeurtenissen die deze twee mensen al op het spoor waren, door te luisteren naar wat verder gaat dan het gebruikelijke, verwachte, vanzelfsprekende.
Past deze boodschap ook niet bij ons? Bij ongebruikelijke, onverwachtse gebeurtenissen, die ons tot dit punt in ons leven gebracht hebben? In deze gemeenschap, in deze viering, met deze mensen samen? En: past deze boodschap niet bij de eerste dag van een nieuw jaar: God verheerlijken en loven om alles wat wij gehoord en gezien hebben? En daarmee weer verder op weg gaan, de ongebruikelijke, niet gebaande paden van luisteren naar wat engelen en herders ons vertellen en daarnaar handelen?
Opdat wij Gods gelaat ontwaren en daarin de vrede ontvangen voor het nieuwe jaar.