Mar. 1, 29 – 39
- Lezing
- Job 7: 1 – 7
Gehouden op: 7 januari 2021
Overweging door: Tineke C.M. Renkema
Wie is Jezus? Waartoe is hij? Vorige week hoorden we dat het onderricht van Jezus op sabbat in de synagoge van Kafarnaüm diepe indruk maakte. Dat kwam door zijn manier van spreken. Hoe hij de daad bij het woord voegde door een man van een onreine geest te bevrijden. Juist dat samengaan, die eenheid van spreken en handelen maakt dus gezagvol.
Maar de sabbat is nog niet voorbij. Vandaag horen wij, dat hij met zijn leerlingen naar het huis van Simon en Andreus gaat. Zij vinden daar de schoonmoeder van Simon met koorts in bed. Ze zijn bezorgd over haar. Ik zocht naar een mogelijke duiding van die koorts. Dat staat er immers niet voor niets. Koorts als een oververhit zijn, als teken dat ergens de balans is verstoord. Is dat mogelijk een gevolg van die boodschap die haar is overvallen: Haar schoonzoon, die heel zijn vissersbestaan achterliet om zomaar achter een vreemde man aan te gaan. We kunnen ons dat voorstellen, dat dat plotselinge ‘alles achterlaten’ heftige koortsachtige reacties teweeg kan brengen bij diegene die achterblijven.
En dan raakt Jezus deze schoonmoeder aan. Hij neemt haar bij de hand en doet haar opstaan. Zo zullen we het nog vaak horen, als we Jezus volgen op zijn weg. En we kennen wellicht ook wat het gevolg is voor wie deze aanraking ondergaat: Een op een andere manier beschikbaar komen. Hier wordt dat verwoord met : ‘Zij begon voor hen te zorgen.’ Zo zal dit huis van de schoonmoeder van Simon een thuis worden voor Jezus en zijn leerlingen, zolang hij in Galilea rondtrekt.
Zijn wij ooit, zoals deze schoonmoeder op deze manier aangeraakt, op een andere, nieuwe weg gezet? Door wie, door wat, wanneer? Je wordt daar een dankbaar mens van.
De sabbat is voorbij, want het is inmiddels avond geworden. Blijkbaar heeft de mare over zijn helende gaven zich al verspreid. Vele zieken en mensen, bezet door demonen - innerlijke stemmen die het leven afbreken- staan voor de deur om door Jezus bij de hand genomen te worden om op te staan. En dan staat er - en dat is opmerkelijk - dat hij niet toestaat dat zij iets zeggen over wie hij is. Waarom dat zwijgen over wie hij is? Je zou toch zeggen dat het goed doet, gekend te zijn, dat geweten wordt wie en waartoe je bent. Je zou toch zeggen dat het ten goede zou komen aan Gods zaak. Maar dat is dus de vraag: Is het wel zo dat het Gods zaak dient?
Toen ik hierover nadacht, kwam ik tot het volgende: Als je je aan iemand bekend maakt, als je laat weten wie je echt bent en waartoe je bent, dan ben je kwetsbaar. Hoe belangrijk is het dan, dat je erop kan vertrouwen, dat iemand zich ook daadwerkelijk verbindt aan jou en aan dat wat je heilig is. Hoe belangrijk is het om te kunnen vertrouwen dat iemand jouw naam, en waar dat voor staat, zich niet toe-eigent omwille van eigen belang; je naam niet tegen je zal gebruiken. Het je laten kennen en gekend worden is in zekere zin een uit handen geven en dat vraagt het vertrouwen te wagen. ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’, dicht Neeltje Maria Min.
Ik moest ook denken aan Mozes waar hij vraagt naar de Naam van God. Hij krijgt antwoord, omdat hij zich wil verbinden met God, die het lijden van het volk heeft gezien en wil afdalen om te bevrijden. God geeft zijn naam te kennen omdat Mozes zegt: Hier ben ik, ik luister, ik geef gehoor. Maar hier, in het verhaal van vandaag, is nog niet zo ver, dat zij die de naam van Jezus weten, zich ook met hem en zijn weg zullen verbinden. Die naam is te kostbaar om zo maar in het wilde weg rond te gaan.
In het evangelie van Marcus komt pas ter sprake wie Jezus is, als hij al een tijd met zijn leerlingen op weg is. Petrus zegt daar: Jij bent de Messias. Maar ook dan zal hij hun nog verbieden erover te spreken. Misschien, zo dacht ik, is dat afhankelijk van het antwoord op de vraag, die Jezus hen op een later tijdstip zal stellen: ‘Ben je bereid de beker te drinken, die ik drink?’ Ja, dan! Dan is de naam in goede handen. Hier op dit moment, aan het begin van de weg, is het veel te vroeg om zich zo te laten kennen. De werkelijke verbinding met Hem moet nog groeien. Zo is het soms ook tussen ons, willen we ons wederzijds laten kennen en gekend zijn: de verbinding moet soms nog groeien. We moeten de tijd nemen om het vertrouwen te wagen. Dat vraagt zorgvuldigheid in de omgang met elkaar.
Intussen blijven de mensen maar naar Jezus komen tot in de ochtend. Dan staat hij op en trekt zich terug. Hij zet een grens. Zo gaat hij ons voor als wij zoeken naar onze eigen roeping, betekenis, onze naam: Hij trekt zich terug en bidt. We weten niet hoe deze ontmoeting met God verloopt. We kunnen het wel vermoeden - op grond van wat er daarna gebeurd - dat op die eenzame plaats de vraag zich opent of hij zich geheel en al zou moeten wijden aan het helen van mensen. Hij vindt antwoord: Zijn roeping gaat dieper, is meer omvattend, heeft een veel grotere reikwijdte. Dat wordt duidelijk als Simon en de andere leerlingen Jezus zoeken. Zij willen hem vasthouden, terugroepen, omdat er nog veel mensen voor de deur staan. Maar hij maakt duidelijk, dat hij gekomen is om het goede nieuws van het op handen zijnde koninkrijk verder te verspreiden. Het helen van mensen zal onderdeel zijn, maar dat is uiteindelijk niet waarom het gaat en dat zal zich ook niet beperken tot één plaats.
Wij leven in 2021! Zijn boodschap over het goede nieuws van het op handen zijnde koninkrijk heeft ook ons bereikt. Dat goede nieuws staat op het wit van de bladzij van alle kranten. We zijn geroepen mensen: op weg om in Hem te geloven op weg om het waard te zijn de naam van de ander te weten op weg om de roeping van de ander te bekrachtigen, onze eigen roeping te onderscheiden om zo geloof te kunnen hechten aan het goede nieuws. Mag het zo zijn.