Joh. 5, 36b – 47
- Lezing
- 2 Koningen 4: 38 - 44
Niet namens Hemzelf!
Ik herneem in deze meditatie ook iets vanuit wat in de afgelopen twee zondagen heeft geklonken, omdat dit laatste gedeelte van hoofdstuk 5 moeilijk te lezen is los van het voorafgaande. dit hoofdstuk wordt ook wel de Verdedigingsrede van Jezus genoemd. En als iemand zich verdedigt onthult hij vaak ook zijn ware identiteit. Misschien helpt dat ook bij het luisteren.
De Mensenzoon verdedigt zich!
Hij genas een verlamde man.
Al 38 jaar lag hij daar.
Op het woord van de gezondene
werd hij gezond.
Het gebeurde op sabbat.
En dat roept verzet op.
Dat kan en mag toch niet!
Het is tegen de wet, tegen de regels!
Maar dat niet alleen, erger nog:
Hij noemt God zijn eigen Vader
De joden trekken hun conclusie:
Jezus stelt zich gelijk aan God.
Dat kan en mag zeker niet!
Een doodszonde!
Daarom zoeken ze hem te doden.
De mensenzoon verdedigt zich?
Ja zeker, maar zijn verdediging is een getuigenis.
Hij getuigt ervan hoe hij zich geroepen weet,
trouw aan God, hem overkomen.
Hijzelf is niets.
Hij kan niets zonder zijn Vader.
Hij doet niets uit zichzelf.
Voor Hem begint alles bij God.
Geloven in God, in hem als Mensenzoon,
is als het betreden van een nieuwe ruimte:
een weg van dood naar leven gaan
aan de tweede dood ontkomen.
Leven met eeuwigheidswaarde.
De Vader werkt altijd, zegt Hij.
Hij werkt zonder ophouden
Dus daarom ook ik, zijn Zoon
Ja, ook al is het sabbat.
Zo Vader, zo Zoon!
En juist dát ‘zo Vader, zo Zoon’
kunnen de Joden niet horen.
Ze verdragen het niet!
Zij luisteren naar zijn woorden
als getuigend van buitensporige arrogantie
Zelfs meer dan dat:
Ze horen het als godslastering.
Jezus verdedigt zich?
Ja zeker, maar zijn verdediging is een antwoord.
Hij staat op heilige grond
wanneer hij zegt: ‘Ik richt mij niet op wat ik zélf wil’
Hij toont zich totaal afhankelijk, ondergeschikt,
geheel en al beschikbaar
t.a.v. het willen van de Vader.
En dan toch tegelijkertijd zó zelfbewust!!
En zo staat Hij daar. Zullen ze hem geloven, geloof ik in hem, geloven wij in hem? Er is geen vanzelfsprekend ja, want: Kunnen wij een dergelijk zelfbewustzijn werkelijk verdragen? Kunnen wij zijn afhankelijkheid, zijn totale beschikbaarheid aan? Wat zeggen wij toch, als wij zeggen dat we willen gaan Hem achterna?
Jezus gaat nog verder.
Hij weet immers:
Alleen een getuigenis over jezelf
is voor zijn toehoorders onvoldoende, onbetrouwbaar.
Daarom verwijst hij naar Johannes de Doper, als getuige.
Immers: Hebben jullie hem niet horen
roepen in de woestijn:
Zie, daar is het lam van God!
Maar nog veel belangrijker is,
dat de Vader zelf gesproken heeft,
een getuigenis heeft afgelegd:
Weten jullie het nog: Die stem uit de hemel?
Dit is mijn geliefde zoon
Het is die stem die mij geroepen heeft en gezonden
Het is die stem, waaraan ik, de Mensenzoon, gehoor geef.
In mij geloven? Gods stem horen en zijn werk doen? Weten jullie eigenlijk waar dat over gaat, jullie, die vragen om bewijzen? Hebben jullie Gods woord eigenlijk wel in jullie opgenomen? Hebben jullie Gods liefde wel in jullie opgenomen? En andersom : Is er wel liefde in jullie voor God? En als je dan niet in mij gelooft, zie dan wat ik doe, hoe mijn aanwezigheid uitwerkt. Aan de vruchten ken je immers de boom? Is dat dan niet van God sprekend, Gods werk?
Ja, en als jullie dan nog steeds niet geloven in mij
spreken dan de Schriften niet?
De Schrift als gezamenlijk fundament?
De Schriften die over mij getuigen? Mozes?
Toen ik zover was in de tekst
herinnerde ik mij een afbeelding
die ik ooit zag:
Deze is gemaakt van allemaal stukjes Bijbeltekst.
Over die Schriftteksten heen
is het gezicht van Jezus afgebeeld.
Hij is het, die de Schrift levend maakt.
Wat maakt het mogelijk om hem te aanvaarden?
We horen het hem zeggen in een van laatste woorden
in dit hoofdstuk.
Ik kom niet namens mijzelf!
Ik kom namens God, mijn Vader
Ja, heel zijn doen en laten is niet namens hemzelf!
Zullen zij daardoor kunnen geloven in Hem?
Is dat ook waardoor wij kunnen geloven in Hem?
Er is geen vanzelfsprekend ja,
Het is een lange weg om onszelf te verliezen
en ons doen en laten te laten tekenen doordat
‘niet namens mijzelf’!
En daar dan de volle verantwoordelijkheid voor te dragen.
Er is geen vanzelfsprekend ja maar wel een ‘op weg zijn in Hem te geloven Zijn zelfbewustzijn, zijn schijnbare arrogantie op ons te nemen én hem te volgen in zijn nederigheid, zijn afhankelijkheid van de wil van de Vader. Ons doen en laten te laten tekenen’’ door ‘omdat Gij het zijt, groter dan ons hart’.
Er is geen vanzelfsprekend ja
maar wel een geloven in de mogelijkheid
Zo Vader, zo zoon, zo gemeenschap, zo jij, zo ik.